Een Kerstmis queestie

“Ech Wel”

En het geschiedde in die dagen voor kerst dat Unesco een telling had verordonneerd van zijn werelderfgoedsites. Men was de tel kwijtgeraakt en had aan elk van zijn volgers bevel gegeven om af te reizen naar een uitverkoren locatie. Een decreet waar wij als trouwe dienaren van zijn lijst natuurlijk gehoor aan dienden te geven. Blij verheugd ging ik Ech Nie het goede nieuws vertellen. “Het heeft ons zo geliefde Unesco behaagd om ons op pad te sturen naar het Duitse Goslar en zijn Rammelsbergmijnen”, zo deelde ik haar mede.

“Aldaar dient het aanwezige erfgoed geïnspecteerd te worden opdat Unesco een juiste inventarisatie van zijn monumenten moge hebben.” De aankondiging bracht haar in blijde verwachting. Niet dat ze Goslar nou zo’n warm hart toedraagt maar het vooruitzicht op een kerstmarkt en een vette braadworst doet haar wel warmlopen. “Wat zijn we toch begenadigd”, antwoordde Ech Nie. “Ech Wel”, zei ik, en begon meteen met het plannen van de reis.

Geen plaats

De boodschap had ons half november bereikt, luttele weken voor er geteld moest worden. Omdat het ons waarschijnlijk leek dat het tijdens de inschrijfdagen druk zou worden gingen we naarstig aan het werk om een geschikte verblijfplaats te vinden. Helaas bleek ons vermoeden juist. Hoe ik ook zocht, er was voor ons geen plaats meer in de herberg. “Dan gaan we wel in een stal liggen”, zei Ech Nie verbeten. Het was duidelijk dat zij zich dit kerstfeest niet door de neus liet boren. “Er is nog een hoeve beschikbaar in het bos buiten de stad”, opperde ik. “Wat zijn we toch gezegend”, antwoordde Ech Nie. “Ech Wel”, zei ik en verzekerde ons van een romantisch verblijf in de woeste natuur van het Harz gebergte.

Naar het Oosten

Enkele dagen later vertrokken we, bepakt en bezakt, voor onze lange reis richting Oosten. Een ster wees ons de weg. De tocht verliep voorspoedig maar was vanwege zijn lengte toch behoorlijk uitputtend. We waren dan ook maar wat blij toen we uiteindelijk de afslag Goslar konden nemen. “Nog een klein half uurtje en dan kunnen we ons heerlijk warm in het stro van de kribbe wentelen”, zo meldde ik Ech Nie. “Wat zijn we toch van geluk begiftigd” riep ze. Spontaan begon het te sneeuwen en leek de door ons gedroomde witte kerst uit te komen. “Ech Wel”, zei ik en stuurde de auto met gezwinde vaart de beboste heuvels van de Harz op.

"Ech Wel"
Een ster wees ons de weg

Sneeuwstorm

Maar wat zo mooi leek in den beginne werd al spoedig ene nachtmerrie zonder weerga. We waren namelijk de eerste heuvel nog niet op of die lieve, schattige sneeuwvlokken veranderden in een ijzingwekkende sneeuwstorm. Samen met de plots invallende duisternis bleek dat een behoorlijk zenuwslopende combinatie. Wat ook niet hielp was dat we de queestie winterbanden (“nergens voor nodig”) danig hadden onderschat. Een beslissing die ons in de eerste de beste haarspeldbocht al bijna noodlottig werd. Hoewel ik toch ech wel rustig instuurde trok de auto zich niks van dat commando aan en gleed gewoon rechtdoor de andere weghelft op. Een ongeluk kon nog net worden voorkomen. “Wat worden we toch altijd met malheur overladen”, piepte Ech Nie, toch al niet verzot op rijden in de bergen. “Ech Wel”, zei ik en zag met leden ogen de sneeuwhopen op de weg steeds groter worden.

Met klotsende oksels en een gevaarlijk hoge hartslag glibberden we verder door Siberisch Duitsland. Voor ons was het zicht nihil, achter ons groeide de file. “Waarom hebben die klotemoffen ook niet gewoon gestrooid dan?”, foeterde ik wild, “en hebben ze hier nog nooit van straatlantaarns gehoord of zo?” Het waren de wanhoopskreten van een mens in nood. Als we maar niet vast kwamen te zitten in dit vreselijke weer, duimden we, want dan was de ellende helemaal niet meer te overzien. Weken later, als de sneeuw gesmolten was, zouden ze ons waarschijnlijk pas weer terugvinden. Toch leek het erop dat we ernstig met die mogelijkheid rekening moesten houden. Heuvel op ging nauwelijks nog, heuvel af leek meer op sleetje rijden. Een queestie van tijd voor dit mis zou gaan. “Wat zijn we toch een stel onzaligen” jammerde Ech Nie toen ze ontdekte dat de vangrail naast ons ook nog eens ontbrak. “Ech Wel”, zei ik en vervloekte dat verdomde Herrenvolk nog wat harder.

“Ech Wel”
Kerstboom

Van kwaad tot erger

Aan onze beproeving leek definitief een einde te komen toen bij het insturen van weer een bocht de achterkant van de auto uitbrak. Dat was het dan, dachten we, we glijden het ravijn in. “Komt laten wij aanbidden”, prevelde Ech Nie klaar voor een vroegtijdig einde. Gelukkig herpakte een van de wielen zich en kon ik met kunst en vliegwerk nog net op tijd onze slee terug de weg op krijgen. Dit werd echt te gek riepen we tegen elkaar, nog even en we kunnen het straks niet meer navertellen. We overwogen de auto aan de kant te zetten maar verwierpen die optie ook meteen weer. Er was geen plaats langs de kant van de weg. En bovendien, wat moesten we dan? Lopen zou in deze omstandigheden helemaal zelfmoord wezen. We moesten dit gewoon nog heel even weten vol te houden. “Wat zijn we toch met ongeluk behept ” beklaagde Ech Nie zich. “Ech Wel” zei ik en klampte me vast aan de navigatie die nog tien minuten reistijd aangaf.

Nog meer rampspoed

Langzaam maar zeker naderden we, ongelooflijk genoeg, toch onze eindbestemming. De verlossing leek nabij. Helaas was Unesco blijkbaar nog niet helemaal overtuigd van onze toewijding en zond nieuwe tegenslag onze kant op. Net toen we dachten dat we het gehaald hadden schoot tot onze verbijstering de navigatie weer terug naar de tien minuten. “Wat krijgen we GVD nou weer?” raasde ik in volle furie. Ech Nie had het al gezien. “Oh hemel”, riep ze volledig overstuur, “we hebben door het slechte zicht de afslag gemist!” Keren ging niet en dus moesten we tien minuten omrijden om weer daar te komen waar we net waren geweest. Ontzet keken we elkaar aan. Nog tien minuten in deze witte hel? Hoe gingen we dat doen? We waren aan het eind van ons Latijn. Even later bleek precies hetzelfde voor ons autootje te gelden. Hoe die ook zijn best deed, met druk spinnende wielen op het dikke pak sneeuw kwam die geen meter meer vooruit. Erger nog. Langzaam gleden we weer terug de heuvel af! “We zijn verloren” gilde Ech Nie totaal reddeloos. “Ech Wel!” schreeuwde ik en zag in een flits ons leven voorbij schieten. Onze dagen leken vervuld.

"Ech Wel"
Waldhotel Untermühle, ons einddoel

Half in de berm kwamen we tot stilstand. “In excelsis Deo” zei Ech Nie die blijkbaar toch nog wat Latijn over had. Ze sprong uit de auto in de hoop het kreng over de heuvel heen te duwen maar het was tevergeefs. Net als onze banden waren ook de voetzolen van haar gympies niet voorbereid op deze winterse omstandigheden. Ze gleed meteen onder uit. Paniek maakte zich van ons meester. “We zijn verdoemd” riep Ech Nie helemaal van de kaart.” “Ech Wel!” bevestigde ik en hoopte stilletjes op een wonder.

Licht in de duisternis

Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Precies op het moment dat we compleet wanhopig raakten verscheen vanuit de donkerste nacht plotseling een fel licht. “Een engel!” schreeuwde Ech Nie jubelend van vreugde en ze vloog onmiddellijk het witte schijnsel tegemoet. “U zijt wellekome”, dacht ik en probeerde tegen de straling inkijkend te zien wat er precies gebeurde. Gelukkig keerde Ech Nie snel terug in de auto. “Ok”, zei ze vol van welbehagen, “een klein stukje terug is een parkeerplaats waar we de auto kunnen neerzetten. Probeer daar te komen dan helpt Gabriël ons verder. Hij is ook pas aangekomen maar wil ons wel helpen om bij het hotel te komen.” Ik kon mijn oren nauwelijks geloven; “een goede Duitser?” vroeg ik voor de zekerheid. “Jawohl”, zei Ech Nie, “wat zijn we toch geprezen.” “Ech Wel”, zei ik en parkeerde de auto.

Ech Wel
Een helpende hand

Een bijzonder heerschap

Even later kwam onze Verlosser in een jeep met tractorbanden aangereden. Dankbaar aanvaardden wij Zijn hulp, gooiden onze spullen over en reden met Hem mee naar huis voor kerstmis. De hoeve bleek verscholen achter de bomen aan het einde van een smal bospad te liggen. Eenmaal aangekomen bedankten we onze redder nog eens hartelijk voor zijn goedertierenheid en overlaadden Hem met goud, mirre en wierook. Dat had die wel verdiend, vonden wij. Toen Hij kort daarna vertrok prees Ech Nie de Heer die ons zo goed geholpen had. “Als we dit verhaal straks thuis vertellen gelooft niemand ons”, zei ik. “Ach”, zei Ech Nie “iedereen vergeet toch wel eens zijn winterbanden?”

“Ik doelde eigenlijk meer op onze weldoener zelf”, zei ik. “Wat dan?” vroeg Ech Nie en keek me niet begrijpend aan. Ik schudde nog steeds mijn hoofd in ongeloof. “Iemand die ons als een dief in de nacht met een helder licht verschijnt en belangeloos de helpende hand toereikt. Wie kan dat anders zijn dan… Het kwartje viel bij Ech Nie. “Je wilt toch niet zeggen dat…?” “Ja precies, en Hij is nog Duits ook! De Heiland komt uit de Heimat. Ech wel!”

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: