Le Havre is knap lelijk

Le Havre

Ik bekijk de wereld door een Unesco-bril. Dat heeft als voordeel dat, mét bril, gebouwen vaak beter voor de dag komen. Tevens helpt het mij in het herkennen van de universele waarde van een ingeschreven monument. Een uitkomst, al zeg ik het zelf, want het belang van een pand is er niet altijd even makkelijk vanaf te zien. Ech Nie daarentegen beweert dat het mijn zicht op de werkelijkheid vertroebelt. Dat ik alles met de mantel der liefde bedek en me teveel conformeer aan de visie van Unesco. Ech Nie ziet altijd alles anders en dat was in het Franse Le Havre ook weer zo.

Ech Nie is niet echt van de architectuur. Daar heeft ze geen oog voor. En naoorlogse, moderne blokkendozen zijn “gewoon stom”. Kom bij haar dan ook niet aanzetten met een verhaal over de voordelen van modern ten opzichte van oud want daar heeft ze geen begrip voor. De kille rechtlijnigheid van het nieuwe bouwen is haar een doorn in het oog en van beton raakt ze depressief. Begin ook niet over de grondbeginselen van de hedendaagse bouwkunst, licht, lucht en ruimte, want daar reageert ze allergisch op. Zij houdt van gezelligheid, van intieme straatjes en afwisselende gevels. Niet vanwege de architectuur maar “gewoon”. Zij vindt moeiteloos haar weg in een wirwar van oude stegen maar verdwaalt in de architectonische eenheid van het postmodernisme. Zij ziet geen schoonheid in strak maar merkt slechts een gebrek aan creativiteit op. Zij ziet altijd alles anders maar dat zei ik dus al. Zij draagt trouwens lenzen en geen bril.

Le Havre
De zuilen van Le Havre, een duidelijke verwijzing naar de Griekse oudheid…

Perret

Auguste Perret was wél een aanhanger van het moderne bouwen. Dat was ook wel zo handig want hij had in 1945 van het gemeentebestuur de opdracht gekregen Le Havre weer op te bouwen naar de maatstaven van het modernisme. De verwoestingen in de Tweede Wereldoorlog hadden een nieuw centrum noodzakelijk emaakt en men wilde zo snel mogelijk een nieuwe binnenstad voor de inwoners. Dat was nog een behoorlijke uitdaging want de woningnood was hoog, bakstenen schaars en geld niet voor handen. Je zou er als architect bijna wanhopig van worden. Perret echter niet. Met zijn favoriete bouwmateriaal van gewapend beton had hij wel voor hetere vuren gestaan.

Met fris elan begon Perret aan de klus. Zo net na de oorlog zat hij nog vol idealisme en geloofde in het bouwen van een geheel nieuwe, betere wereld. “Harmonie en stabiliteit” waren zijn uitgangspunt en Perret dacht dat te kunnen bereiken door oude Griekse theorieën over geometrische ordening, proporties en getallenreeksen te combineren met de wens tot vrij uitzicht en voldoende lichtintreding. Volgens Unesco slaagde Perret wonderwel in zijn opzet. Als naoorlogs voorbeeld van stedenbouw werd Le Havre in 2005 tot werelderfgoed verklaard.

Maar niet alleen Unesco was tevreden met het werk van de “betondichter”, ook de nieuwe bewoners waren in hun nopjes. Eindelijk konden ze dan rustig thuis komen na een dag hard werken. Niet langer zaten ze noodgedwongen in donkere, bedompte woningen waar je de kont niet keren kon. De nieuwe appartementen waren ruim en licht en ademden rust. Men was van alle gemakken voorzien en genoot met volle teugen. Het leven was weer goed. Ten op zichte van vroeger was het een enorme verbetering maar goed, dat hoef je Ech Nie dus niet te vertellen. Bij aankomst keek ze al met lede ogen naar de vooruitgang van toen.

Le HavreStadhuis

Wij arriveerden in de stad nadat we onze pogingen wat bij te bruinen op het strand van Étretat hadden moeten opgeven. Hoewel warm was het rond de krijtrotsen behoorlijk bewolkt geweest en dat had het humeur van Ech Nie bepaald geen goed gedaan. De eerste aanblikken op de stad hielpen haar helaas niet zich over de bui heen te zetten. Hoewel de hemel inmiddels weer helemaal blauw was zag zij alleen maar grijs. “Wat is dit nou weer voor een grauwe ellende?”, vroeg ze getergd. “Dat moet je anders zien”, zei ik.

“Deze architectuur is door Unesco beoordeeld als werelderfgoed vanwege zijn innovatieve gebruik van beton” zo deelde ik haar mede. Ech Nie slaakte een diepe zucht. “Leuk, zeg.” Ja inderdaad. “Laten we eerst maar naar het stadhuis gaan”, opperde ik, het is een van de pareltjes van de stad en omringd door een creatief aangelegd fonteinplein.” Dat doet het altijd wel goed, dacht ik, een beetje water. Eenmaal aangekomen wilde ze echter al gauw weer door. Op mijn vraag; “vanwaar de haast?” Vroeg ze gebeten; “of ik soms een vuiltje in m’n oog had?” Niet begrijpend keek ik haar aan. “Je wilde toch naar het stadhuis? Dit is een hotel.” Ik kon een glimlach niet onderdrukken. Het was duidelijk, Ech Nie was nog niet bekend met de Franse term “Hôtel de Ville”.

stadhuis
stadhuis

Terras

Ze zag er de humor niet van in. Om de situatie een beetje te redden stelde ik voor om wat te gaan drinken aan de boulevard. Daar aan de kade klaart mijn oogappeltje wel weer op, zo redeneerde ik. Onderweg naar de oceaan passeerden we de huizenblokken van Perret die duidelijk herkenbaar in een mooi ritmisch patroon waren geplaatst. De functionaliteit droop er van af. “Eerlijke gebouwen”, noemde Perret dat. Panden waarbij de constructie in het zicht bleef waren een kenmerk van het nieuwe bouwen en dat was duidelijk te zien. Net als zijn voorkeur voor Grieks trouwens. De vele verschillende soorten zuilen die hij gebruikte bij de ondersteuning van de appartementen waren een duidelijke verwijzing naar de klassieke wereld. Het was allemaal van een vernuft en poëzie die in sneltreinvaart langs Ech Nie heen ging. Hoewel ik genoot had zij er flink de pas in. Het vooruitzicht van een koel drankje op een terras met zeezicht leek haar vele malen aanlokkelijker dan “die lul van Perret met zijn betonnen bunkers”.

Le Havre
Kunst aan de kust van Le Havre

Aan de kust gekomen bleek er een of ander evenement aan de gang. Geheel in stijl met de veiligheidsvoorschriften van tegenwoordig stonden strenge bewakers iedereen te controleren op de inhoud van zak en tas. Frankrijk had zijn portie terreur wel gehad deze zomer (augustus 2016) en hoopte zo blijkbaar een volgende aanslag te voorkomen. Niemand deed gelukkig moeilijk of liet zich weerhouden te genieten van het mooie weer. Dat deden wij ook niet en we nestelden ons met een heerlijk koele rakker in het zonnetje. Zij een wijntje, ik een Leffe. Dromerig staarden we naar de schepen die de haven in en uitgingen. Het leek een goed moment om Ech Nie te melden dat we nog niet klaar waren met onze vriend Auguste.

Saint Joseph

Onmiddellijk betrok het gezicht van vrouwe Ech Nie weer. “Nee toch hè? Wat valt er nou in hemelsnaam nog te zien dan?”, vroeg ze vertwijfeld. “La Cathedrale de Saint Joseph” antwoordde ik haar monter. “Het meesterwerk van genie Perret. Een mijlpaal in de na-oorlogse architectuur. Een bouwkundig wonder!” Mijn lyrische beschrijving hielp niet. Troostend stelde ik haar gerust dat de bezichtiging van de kerk ook wel tot morgen uitgesteld kon worden. Dat de kerk al lang gesloten was hield ik maar even voor mezelf.

Le Havre
Saint Joseph

De volgende dag was het dan de beurt aan Saint Joseph. Aan het eind van de brede boulevard zagen we de hoge toren van de kerk reeds oprijzen. Niet zeker van de parkeergelegenheid ter plaatse besloten we de nieuwe auto van Ech Nie alvast te parkeren vlakbij het futuristische complex van Oscar Niemeyer. Een andere wereldberoemde architect die met wit gestreken beton ook nog wat moderns in de stad heeft neergezet. De parkeerplaats stond haaks op de rijweg dus kwamen we met enige vaart richting het vrije plekje dat ik had gespot. Het kostte ons bijna een telefoontje richting verzekering.

“Kijk uit!” gilde Ech Nie hard. Vol moest ik in de remmen voor een lantaarnpaal die, heel tactisch, midden op de parkeerplaats stond geparkeerd. “GVD, klote Fransen” vloekte ik hartstochtelijk. “Kijk dan ook uit je doppen”, riep Ech Nie boos. Haar lenzen hadden de paal blijkbaar eerder opgemerkt dan mijn Unesco-bril. Ik mopperde wat terug, parkeerde de auto een stukje verderop en samen liepen we, behoorlijk gepikeerd over het Franse parkeerbeleid, naar Saint Joseph toe.

Knap lelijk

De kathedraal laat zich qua uiterlijk het best omschrijven als een grote betonnen bak met een enorme toeter er op. De punt wordt door sommigen wel vergeleken met een vuurtoren en daar heeft die inderdaad wel wat van weg. Binnen is echter een heel ander verhaal. De zon en kleurige glas-in-lood ramen zorgden voor een bijzondere lichtval en in combinatie met de betonnen structuur leek het wel of we in een aflevering van Star Trek waren beland. Ik moest in ieder geval meteen aan een ruimteschip denken. “Schitterend”, merkte ik op. “Vreselijk” antwoordde Ech Nie.

Le Havre
Le Havre is knap lelijk

Teruglopend naar de auto wist ik niet goed wat ik van de stad moest vinden. Vreselijk was die niet. Maar schitterend evenmin. En toen ineens drong het tot me door. Het was niet dit of dat, het was allebei! Vreselijk schitterend! Al die tijd hadden we door de stad gelopen en waren we ziende blind geweest voor wat we zagen.

Le Havre is de ongekroonde koning van de tegenstelling. Hij is knap en lelijk tegelijk. Een oxymoron van steen. Architectuur- en Unesco-liefhebbers (met bril) zullen hem vooral knap vinden, zij herkennen in de bouwwerken onmiddellijk de hand van de meester. Leken met lenzen zien dat niet en zullen de stad vooral als saai en lelijk ervaren. Maar de mening van de één telt niet zwaarder dan die van de ander. Beiden hebben gelijk!

Blij dat we eruit waren hielden we het na Saint Joseph voor gezien . Op naar Bordeaux, de volgende stad op onze queeste. Een stad zonder beton beloofde ik Ech Nie. “Wel leuk?” vroeg ze. “Ech Wel!”

2 Reacties

  1. Ech wel! We hebben al heel wat kerken gezien tijdens onze queeste maar er was er geen een die ook maar enigszins op deze leek. Zo bekeken is die dus zeker uniek. Of die knap of lelijk is zijn de meningen over verdeeld…

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

%d bloggers liken dit: