Wanneer Ech Nie in alle vroegte op appèl aantreedt, krijgt ze van mij onmiddellijk te horen waar wij vandaag ons vizier op richten; “Heden gedenken we de slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. De oorlog die alle andere oorlogen had moeten beëindigen, maar die slechts de opmaat bleek voor een nóg veel verwoestender conflict twintig jaar later.”
“Klinkt als een mooi dagje uit generaal Ech Wel!
“Dat dacht ik ook!”

Moord op kroonprins mondt uit in Eerste Wereldoorlog
De oorlog was nog wel zo veelbelovend begonnen. Lang hadden de hoge heren van de respectievelijke grootmachten ernaar uitgekeken, naar een confrontatie die de steeds hoger oplopende spanningen in Europa definitief kon bezweren. Voor de Fransen bood het de gelegenheid wraak te nemen op de Duitsers (nadat ze in 1871 door hen vernederende waren verslagen), Rusland en Engeland kregen de kans om de groeiende macht van datzelfde Duitsland te beteugelen, Oostenrijk-Hongarije werd in staat gesteld de Balkan te pacificeren (lees in te lijven) en de Duitsers konden zo eindelijk de superioriteit van hun cultuur aantonen.
De moord op de troonopvolger van keizer Frans Jozef van Oostenrijk-Hongarije, vormde de lont in het kruitvat. Toen duidelijk werd dat een Servische nationalist voor zijn dood verantwoordelijk was, oordeelde een verongelijkt Wenen dat Serbien muss sterbien. Zij vonden dat ze die dekselse Slaven al lang genoeg in hun onafhankelijkheidsstreven hadden getolereerd en hoopten met een korte strafexpeditie die rebellerende opvattingen definitief in de kiem te smoren. Duitsland kon die gedachtegang wel volgen. Toen zij zich dan ook solidair met de Oostenrijkers verklaarde voelde laatstgenoemde zich voldoende gesterkt om tot militaire actie over te gaan.
Na het uitbreken van het conflict op de Balkan mobiliseerden zowel Rusland en Frankrijk en zagen de Centralen (Duitsland en Oostenrijk-Hongarije) zich plots ingeklemd tussen twee vijandelijke volken. Bang dat die twee de Duitse cultuur zouden vernietigen, en met het sterke vermoeden dat afwachten alleen maar nadelig kon uitpakken, besloot Duitsland de eerste klap uit te delen.

België kind van rekening in Duits aanvalsplan
Duitsland wordt het zwaard in de hand gedrukt, beweerde keizer Wilhelm theatraal, wij willen geen oorlog, maar als het dan toch zover moet komen, weet dan dat wij de onbuigzame wil bezitten om de plaats te bewaren die God ons heeft geschonken.
Duitsland deed het voorkomen alsof ze een oorlog in werden gesleurd, maar eigenlijk hield de generale staf van het land al jaren rekening met een alomvattende kamp. De eerdere Russisch-Franse toenadering was hen niet ontgaan en generaal von Schlieffen had in 1905 reeds een plan klaar liggen om in geval van een dreigende situatie eerst met Frankrijk en dan met Rusland af te rekenen. Volgens von Schlieffen waren Rusland en Frankrijk namelijk ieder afzonderlijk nog wel te behappen maar moest een tweefrontenoorlog te allen tijde worden voorkomen. Zijn idee was het om met een zeisachtige zwiep via België het Franse leger te omsingelen, Parijs in te nemen, en daarna de Russen te verslaan. Dat daarbij de neutraliteit van onze Zuiderburen moest worden geschonden was jammer maar noodzakelijk; Not kennt kein Gebot!
“België generaal?”
“Uiteraard. Daar doorstoten was een stuk eenvoudiger dan bij de sterk verdedigde Frans-Duitse grens!”

Eensgezind en met fris elan trok Duitsland ten strijde
Aufgestanden ist er, welcher lange schlief
Aufgestanden unten aus Gewölben tief
Het monster was wakker geschud, de oorlog daar, maar toen de Duitse keizer hem vanaf zijn balkon aankondigde werd hij luid toegejuicht. Voor velen voelde de komende krachtmeting als een bevrijding.
Die oorlog van 1914 werd de massa’s waarlijk niet opgedrongen, maar was iets, waarnaar het gehele volk verlangde. Men wilde niet langer onder het juk van de algemene onzekerheid gebukt gaan. Hieruit alleen is het te verklaren, dat er voor deze titanenstrijd meer dan twee miljoen Duitse mannen en jongens opstonden, en zich om de vlag schaarden, bereid, om die tot de laatste druppel bloed te verdedigen. Voor mij betekenden die uren de verlossing uit de benauwde ban van die „ordelijke en vreedzame toekomst”, die mijn jeugd had vergald. Ik schaam mij ook heden niet, om te zeggen, dat ik, ten prooi aan overweldigende geestdrift, op mijn knieën ben gevallen, om de hemel uit de diepte van mijn overvolle hart te danken, dat mij het geluk was toebedeeld, in deze tijd te mogen leven.
Adolf Hitler. Mein Kampf
De mislukte kunstenaar was niet de enige die zin had in een fris en vrolijk avontuur; in Berlijn stonden zelfs hele schoolklassen in de rij voor het privilege om gedood te worden. Niemand wilde het grootste evenement van zijn tijd missen.

Na inundatie neemt Ieper sleutelpositie in
Komt gij ons volk beschaven,
René de Clercq, De zware kroon
Gij, die het land verwoest?
Overal puin en graven,
Overal bloed en roest.
In de veronderstelling dat de toekomst van Europa afhing van de verdere, onbeperkte ontwikkeling van de Duitse cultuur marcheerden Duitse patriotten de Vlaamse gewesten binnen. Ze moesten wel, vonden ze zelf, want Duitsland (en dus de mensheid) werd in zijn voortbestaan bedreigd. In opgedrongen noodweer stormden zij verder. Aanvankelijk verliep hun offensief voorspoedig maar net toen ze op het punt stonden door de IJzerlinie te breken, de stelling waarachter het laatste stukje België verschanst lag, werden de polders aldaar onder water gezet.
“Slimme Belgen”, vindt Ech Nie, maar in mijn ogen is dat de typische onwetendheid van een dienstweigeraar. “Als jij me nou gewoon was gevolgd langs het patrimonium van de Nederlandse Waterlinies dan had je geweten dat deze krijgstechniek al sinds de 17e eeuw door de Hollanders gebezigd werd. Wat onze Zuiderburen dus deden was niks anders dan het kopiëren van onze vaardigheid!”
“Met permissie generaal; ik bedoelde natuurlijk dat het slim was van die Belgen om bij die pientere waterbroeders uit het noorden te rade te gaan…”
“Zeker, dat mag gezegd, het water uit de IJzer deed de race naar de Noordzee absoluut stranden, dat is onmiskenbaar waar, maar de inundatie zorgde er óók voor dat het onbeduidende stadje Ieper tot een bijzonder strategische plaats werd verheven. Met de enige begaanbare weg naar de achterliggende havens van Duinkerken en Calais binnen haar gelederen werd zij voor de Duitsers de sleutel tot succes. Haar veroveren zou Engeland wellicht uit de oorlog stoten.”

De eerste slag om Ieper
“Engeland generaal?”
“Zeker, na de Duitse schending van de Belgische neutraliteit hadden de Britten met minstens zoveel geestdrift als hun tegenstander hun troepen in de strijd geworpen. En nu de agressor met alle macht Ieper probeerde in te nemen, verdedigden zij de stad met alles wat ze hadden.”
Met Ieper en de havens in handen zou de aanvoer van Engelse versterkingen ernstig worden gehinderd, maar helaas voor de Centralen veranderden hun aanvalsgolven telkenmale in afschuwelijke bloedbaden. Dat kwam vooral doordat zij over open veld moesten oprukken en de onervaren knullen nog zo naïef waren dat ze af en toe vergaten te bukken voor de hen tegemoetkomende staalstorm. Dat hadden ze tijdens hun kortdurende training nooit geleerd. Wat ook niet hielp was de koppige houding van de officieren te velde. Hoewel het niemand ontging dat er zich een afschuwelijke ramp voltrok, weigerden de betweters categorisch hun reeds lang van tevoren uitgedokterde strategieën aan te passen. Zij vonden dat de vrijwilligers de klus maar gewoon moesten klaren en bleven de aan hen toevertrouwde jongelui zonder enige scrupules richting het moordende mitrailleur- en artillerievuur van de vijand sturen. In gesloten formatie welteverstaan.

De mythe van Langemark
Zoet en eervol is het om voor het vaderland te sterven. In die wetenschap was de Duitse jeugd opgevoed en met dat opofferingsgezinde gedachtegoed vielen ze aan. Om het thuisfront te laten weten dat zij niet voor niks aan flarden werden geschoten gooide het Opperbevel er een ronkend persbericht uit:
Ten westen van Langemarck namen jonge regimenten onder het zingen van “Deutschland, Deutschland über alles” stormenderhand de eerste linie van de vijandelijke stellingen in. Ongeveer 2.000 man Franse linie-infanterie werden gevangen genomen en zes machinegeweren buitgemaakt.
In werkelijkheid had men niets anders dan zware verliezen geleden, maar de gruwelijke nederlaag werd gevierd als een feest der martelaren. De Duitse pers nam het communiqué klakkeloos over en blies het verhaal in volgende jaren op tot mythische proporties; Zeker, hele scharen van de bloesem van de Duitse jeugd hadden het niet gehaald, maar de smart om hun dood woog niet op tegen het heroïsche gevecht dat zij op het veld van eer hadden geleverd.

Soldaten sneuvelen in zinloze loopgravenoorlog
Deutschland, Deutschland über alles, nur nicht über die IJzer. Half november werd wel duidelijk dat een doorbraak niet meer te forceren viel en begonnen beide legers zich uit arren moede in te graven. Hoewel daarmee een einde aan de bloedigste weken van de oorlog kwam, was het tevens het begin van een jarenlange, uitzichtloze loopgravenstrijd. Natuurlijk leerde de propaganda dat gedurende die strijd de meeste mannen sneuvelden in een heroïsch gevecht met de vijand, maar de bittere realiteit wilde dat zij in zinloze, nooit wat opleverende aanvallen, massaal ten onder gingen.
Toen het dag werd, bekeek ik deze beroemde heuvel aan de voet waarvan onze loopgraaf zich bevond. Maandenlang was hierom gevochten alsof er een diamantmijn in haar flanken verborgen lag. Helaas, de heuvel bevatte alleen maar duizenden lijken. Het was een hoogte die zich in niets onderscheidde van de naburige heuvels. Het schijnt dat hij ooit voor een deel bebost was. Maar nu was er geen spoor van begroeiing meer te zien. De aarde was omgewoeld en verwoest en bood alleen nog maar een desolate aanblik.
Louis Barthas, oorlogsdagboeken
Thuis werden de nabestaanden netjes op de hoogte gebracht…
Jack fell as he’d have wished,” the Mother said,
And folded up the letter that she’d read.
Maar de onheilsbode wist wel beter:
He thought how “Jack,” cold-footed, useless swine,
Siegfried Sassoon, The Hero
Had panicked down the trench that night the mine
Went up at Wicked Corner; how he’d tried
To get sent home; and how, at last, he died,
Blown to small bits. And no one seemed to care
Except that lonely woman with white hair.

In Flanders Fields-museum
In het Ieperse oorlogsmuseum “In Flanders Fields” zie ik dat de tentoongestelde misère mijn teerhartige soldaat niet onberoerd laat. “Ach, al die arme jongens…”, fluistert ze zacht.
“Verman je Ech Nie!”, reageer ik bars, “er is toch niks mooier dan te sterven voor het vaderland? Wie wil er nou geen roemrijke wapendood?!”
“Ik zie hier anders dat ze die gasten gewoon hebben laten creperen in luizige loopgraven, daar is toch niks eervols aan?”
“Dan hadden die lamzakken daar ook niet zo lang moeten blijven rondhangen. Die greppels waren niet bedoeld om lang in te bivakkeren, dat waren uitvalsplaatsen om die verrotte moffen naar de keel te vliegen!”


Barre weersomstandigheden teisteren militairen
Zeker in het begin, toen het kader nog van mening was dat een al te gerieflijk ingerichte loopgraaf weleens de vechtlust van de doorsnee soldaat zou kunnen ondermijnen, hadden de elementen vrij spel:
Helaas beschikte de hemel over zijn eigen artillerie; regen, kletsende striemende onweersbuien, teisterden ons de hele nacht. Samen met m’n maat hadden we een met bloed doordrenkte, Duitse regenmantel opgegraven die we tussen twee kapotte geweren boven de greppel hingen. Het duurde niet lang of het schamele afdakje druppelde roodbruin water in onze nek en op onze handen. Door de zondvloed stortten de wanden van de loopgraaf in en kwamen stoffelijke resten bloot te liggen. Het gebeurde regelmatig dat we in het voorbijgaan bleven haken aan de botten van een hand of een voet die uit de wanden van de loopgraaf staken. We waren zo afgestompt dat we er zelfs geen oog voor hadden. Het was alsof we tegen wortels stootten.
De volgende nacht bracht een schitterende sterrenhemel bittere koude. Alsof uit het verre heelal een ijzige adem op ons neerstreek. Onze vochtige jassen en dekens raakten stijf bevroren. Onze voeten werden gevoelloos.
Louis Barthas, oorlogsdagboeken


Plaagdieren in modderpoelen
Loopgraafvoeten waren een veelvoorkomend probleem rond Ieper. De geallieerden kregen het grondwaterpeil daar maar niet op orde (mede doordat het geschut alle afwateringskanalen had vernietigd) en dat betekende voor de ongelukkige krijgers dat hun voeten niet zelden aan dagenlange verblijven in kille natte modder of ijskoud, kniehoog water werden blootgesteld. Dat had tot gevolg dat hun voeten eerst gingen irriteren, daarna opzwollen, vervolgens gevoelloos werden en tenslotte, in extreme gevallen, leidden tot afsterving en amputatie.
En dan was er nog het ongedierte.
Met een ijskoude noordoostenwind vertrokken we, wat mij betreft zonder spijt. Ik had er zeker een vol glas bloed achtergelaten. Niet door een eervolle verwonding – moge Mars me daarvoor behoeden – maar uitgezogen door miljoenen luizen.
En een ander getuigde niet zonder humor: zodra ik een luis doodkneep kwamen er duizenden op zijn begrafenis.
Maar de ratten waren misschien nog wel ’s mans grootste vijand:
In ontelbare hoeveelheden waren ze de meester van de stelling. Vooral ‘s nachts. Ik bedekte me van onder tot boven met mijn tentzeil, overjas en deken, toch voelde ik ze voortdurend op mijn lichaam. Nadat ze alles hadden opgegeten: brood, boter, chocolade, begonnen ze aan onze kleren. Het was onmogelijk te slapen: honderden malen per nacht sloeg ik ze van me af, maar altijd kwamen ze na een paar minuten in grotere getale terug.

Over de top en op zelfmoordmissie
“Mijn God, hebben ze die mensen echt in deze ellende laten vechten?”, stamelt Ech Nie.
“Ja, wat dacht jij dan? Dat oorlog een beschaafd steekspel tussen twee schermers was of zo? Natuurlijk ging het er heftig aan toe. Het was doden of gedood worden.”
Een gehaaste ordonnans riep de vreselijke woorden. Ransels pakken en paraat zijn. Om 3 uur gaan we ten aanval. We keken elkaar wezenloos aan; begon alles weer opnieuw? Weer al dat bloed, weer al die kreten van pijn? Misschien waren wij vanavond wel een van die lijken die achtergelaten werden in deze troosteloze vlakte. We voelden ons hele wezen in opstand komen tegen dit trieste lot, de wreedheid van hen die zo onverschillig over onze levens beschikten. Ik ga mijn familie een afscheidsbrief schrijven riep er een, en bijna iedereen volgde zijn voorbeeld.
Als het fluitje ging moesten ze over de kling top:
Net waren we de loopgraaf uit of een kogel doorboorde iemands schouder. Hij bloedde dood omdat er geen afdoende eerste hulp voorhanden was. Niemand wist waar de ziekendragers waren, en blijven staan en helpen was verboden, zelfs als het je eigen broer was. We stapten over de rochelende gewonden heen, waadden door het bloed. Iedereen wist dat we een gewisse dood tegemoet gingen. Waren onze bevelhebbers omgekocht door der Kaiser dan hadden ze precies zo gehandeld door ons in deze hinderlaag te lokken en uit te laten moorden.

Bajonet bewijst zijn dienst in man-tot-man-gevechten
Wie het niemandsland vol prikkeldraad, blindgangers, bomkraters en uiteengereten kameraden overleefde wachtte bikkelharde man-tot-man-gevechten.
We hadden de opdracht de loopgraaf ‘schoon te maken’, dat is te zeggen de verdedigers onschadelijk te maken. Met koortsachtige haast volgde ik de loopgraaf en stuitte op een Duitser. Goede hemel, wat was hij jong, achttien jaar misschien, en zijn grote blauwe ogen waren zo schichtig. Het scheen mij toe dat mijn armen lam geslagen werden, bij de gedachte zo’n jong mens te moeten doden. Ik zag dat hij zijn mond opende om iets te zeggen, of om te vloeken, misschien. Dit alles duurde echter minder dan een seconde, want voordat ik het wist, stak mijn bajonet reeds in zijn buik, en had ik enige moeite het wapen terug te trekken. Mijn eerste stoot. Nooit zal ik de blik vergeten die hij op me vestigde, en die mij een koude rilling over de rug heen joeg; een blik zó vol pijn en verdriet, en zo vol verwijt. Hij zei niets, zijn mond bleef open, hij bloedde niet eens, en keek me immer aan. Toen kwam er een lichte waas over zijn mooie ogen, en hij zakte langzaam in elkaar, zijn geweer kletterde op de grond.
Een Nederlandse vrijwilliger

Ieperse bevolking kreeg het zwaar te verduren
Na het museum rukken we op naar de Grote Markt waar, net als in de rest van België, de horeca is geconcentreerd. Omdat ’s lands geneugten ons daar keer op keer blijven provoceren gaan we onverhoeds over tot de aanval. We plunderen eerst een munitiedepot (alias chocolaterie) en verschieten aansluitend ons kruit in een belendend café. Even raakt daardoor het oorlogsgedruis op de achtergrond maar we zijn de deur nog niet uit of we stuiten alweer op het volgende gedenkteken. “Ja, je zou ze haast vergeten, maar burgers waren natuurlijk net zo goed slachtoffer van de waanzin die hier vier jaar tekeer ging. Ongeveer 700 Ieperlingen kwamen door al het geweld om het leven. Gelukkig werden tijdens de tweede slag, toen men steeds zwaarder oorlogstuig begon in te zetten, de meesten van hen geëvacueerd.”
Nieuwe moderne wapens moesten de impasse doorbreken. Reuzenkanonnen, gevechtsvliegtuigen, vlammenwerpers, tanks; allemaal mochten ze aan het Westfront voor het eerst hun kunsten vertonen. Maar de meest gevreesde innovatie was toch wel die griezelige sluipmoordenaar waaraan niemand kon ontsnappen; gifgas.

Chemie doet zijn intrede op strijdtoneel
De Duitsers hadden Ieper als testterrein voor het nieuwe massavernietigingswapen uitgekozen. Het was nog even wachten totdat de wind goed stond maar op 22 april 1915 was het zover en lieten ze een geelgroene gaswolk richting geallieerde stellingen los. Volgens een ooggetuige veroorzaakte het gemene goedje vrijwel onmiddellijk een hallucinant schouwspel van strompelende, bloed spuwende en stervende soldaten.
Nadat de lucht was opgeklaard schreef een Duitse soldaat: Overal lagen lichamen van gestikte Fransen. Je kon goed zien waar de mannen aan hun gezicht en keel geklauwd hadden in een poging toch wat te kunnen ademen. Sommigen hadden zichzelf doodgeschoten. In de boerderijen was het van hetzelfde laken een pak, koeien, kippen, alles en iedereen was dood, zelfs de insecten.

Lucht raakt vergiftigd
De Duitsers noemden de aanval een onverwijld succes, maar voor de andere zijde vormde hun meedogenloze daad het zoveelste bewijs dat men hier niet met een gerespecteerde vijand van doen had, maar met een stelletje barbaarse Hunnen. Devilry, thy name is Germany, sprak de Britse pers vermanend, maar de Duitsers verdedigden zich met de stelling dat verstikking niet erger was dan andere soorten van vernietiging en dat gifgas de oorlog hopelijk ook verkortte. (waardoor er uiteindelijk minder slachtoffers te betreuren zouden zijn) Hartstikke humaan dus, die chemische oorlogsvoering.
Gas! Gas! Snel, mannen! – Een chaotisch gepruts,
Wilfred Owen, Dulce et Decorum
Die onhandige maskers net op tijd op.
Er was er een die het uitgilde, struikelde,
Spartelde als in vlammen of ongebluste kalk…
Wazig, door aangedampte kijkglazen, in dik groen licht
Zag ik hem ondergaan, als in een groene zee.
In al mijn dromen – ik sta er hulpeloos bij –
Komt hij op me af, kokhalzend, stikkend, verdrinkend.

Psychologische oorlogsvoering leidt tot trauma’s
Magere Hein loerde overal, dat leerden de soldaten snel, maar de hoop bleef altijd dat hij hen slechts met een kort bezoek zou vereren. Helaas was lang niet iedereen dat geluk gegeven…
Eens hoorden we geschreeuw, zoals alleen een mens met vreselijke pijnen kan schreeuwen, en toen werd het stil. Zou er weer een dodelijk getroffen zijn, dachten we. Een uur later begon het weer. Een afgrijselijk geschreeuw. Maar toen hield het niet meer op. Die nacht niet. En de volgende nacht ook niet. Het gejammer was zonder woorden, dus of het geschreeuw uit een Franse of Duitse keel kwam wisten we niet. De schreeuw leefde zijn eigen leven, alsof die hemel en aarde tegelijk aanklaagde. Om hem maar niet te hoeven horen, drukten we onze vuisten tegen onze oren, maar dat hielp niets, als een schroef drong die onze hoofden binnen. De schreeuw maakte de minuten tot uren, de uren tot jaren. En zelfs nu we grijsaards zijn horen we hem nog.
De gruwel was zo alom tegenwoordig dat menigeen er psychisch aan onder doorging. Shellshock noemden ze dat destijds, nu kennen we het fenomeen als Post Traumatisch Stress Syndroom. Mannen die er aan leden, konden echter op weinig sympathie rekenen. Symptomen als verlamming, spasmen, continu huilen of plotseling stotteren werden dikwijls aangezien als lafhartige pogingen om militaire verplichtingen te ontduiken, en werden dientengevolge zwaar bestraft. Toen een arme drommel eens als excuus voor zijn onvoldoende aanvallende geest aandroeg dat hij door een granaatexplosie totaal van slag was geraakt veroordeelde de krijgsraad hem tot het vuurpeloton. How can we possibly win if this plea is allowed?, vroeg de hoge pief zich af die het vonnis moest bekrachtigen.

Moordlust en bloeddorst
Toch kroop niet iedereen terug in zijn schulp wanneer het spannend werd, er waren er ook die er een kick van kregen. Ernst Junger sprak over een roes die alle roezen te buiten ging, een ontketening die alle banden deed springen. Hij ontwikkelde een zekere fascinatie voor de strijd:
Oog en oor waren tot het uiterste gespannen, het naderend geruis van vreemde voeten in het hoge gras kreeg een onheilspellende intensiteit. Je adem ging hortend en stotend, je moest jezelf dwingen je hijgende, naar lucht happende lijf onder controle te houden. Met een korte, metalige klik sprong de vergrendeling van het pistool terug – een geluid dat als een mes door je zenuwen sneed. Je tanden knarsten op het afvuurtouw van de handgranaat. De botsing zou kort en moordend zijn. Twee overweldigende gevoelens deden je huiveren: de meeslepende opwinding van de jager en de angst van het wild. Je was een wereld op zich, volledig vervuld van de donkere, verschrikkelijke stemming die drukkend over het onherbergzame terrein hing.

Botsende beschavingen geven geen millimeter toe
In de ogen van de Franse generaal Foch was de oorlog een strijd tussen enerzijds twee keizerrijken met een sterk gezag en anderzijds twee parlementaire democratieën. Het was noodzakelijk dat Frankrijk en Engeland het bewijs leverden van de uitmuntendheid van hun politiek regime. In die optiek was er dus geen plaats voor vredesonderhandelingen. Integendeel. Tegen elke prijs moest er worden doorgevochten, de westerse civilisatie mocht niet toegeven aan de Germaanse agressie.
Aan Duitse zijde werd er niet minder ideologisch gedacht. Het conflict werd daar gezien als een kamp tussen twee verschillende manieren van leven. De Duitsers vreesden voor overheersing en het verlies van hun dierbare kunst en cultuur. Met name dat laatste lag bij hen bijzonder gevoelig. Sinds het uiteenvallen van het Habsburgse Rijk waren het juist deze twee aspecten waaraan ze hun identiteit ontleenden; die kernwaarden waren voor hen zo belangrijk dat ze bereid waren daar tot het bittere eind voor te vechten. Men wil ons demokratisieren um uns zu desorganisieren, was de heersende opvatting en; Ze willen ons uit elkaar spelen zodat ze ons hun oppervlakkige, decadente levensstijl kunnen opleggen…

Een poging uit de Ieperboog te breken
En dus bleven beide zijden elkaar te vuur en te zwaard bestrijden, beiden in de vaste overtuiging dat ze elkaar door uitputting konden uitschakelen. In de zomer van 1917 dacht de conservatieve Engelse maarschalk Haig dat het moment daar was en de vijand nu echt op omvallen stond.
Het front lag in een boog om Ieper heen en werd in militaire termen de Ieper saillant (Ieperboog) genoemd. Het was een weinig benijdenswaardige plek want vanaf de door de Duitsers bezette heuvelrug die er in een halve maan omheen lag werden de Engelsen voortdurend onder vuur genomen. Wellicht had het dan ook verstandiger geweest de troepen iets in te laten zakken, en gunstigere posities te betrekken, maar dat soort logica was aan de legerleiding doorgaans niet besteed. Zij stelden dat er al teveel krachten aan dit stukje grond verspeeld waren en dat opgeven gelijk zou staan aan verraad jegens de reeds gevallen kameraden. (En dus geboden ze nog meer soldaten te sterven voor datzelfde snippertje land)

Haig slaat modderfiguur
Vier miljoen granaten kondigden Haigs campagne aan. Zij waren bedoeld om de Duitse linies uit te dunnen en het pad voor de stoottroepen te effenen, maar helaas kwam er van al die goede bedoelingen weinig terecht. Niet alleen bleven de meeste Duitse bunkers en hun bemanningen intact, het schiettuig transformeerde het lieflijke, groene landschap in een surreële grijze modderzee waarin mens en machine volstrekt kansloos waren. Met hun zware gewicht verdwenen zij voorgoed in de Vlaamse baggerzooi.
I died in hell—
Siegfried Sassoon, Memorial Tablet
(They called it Passchendaele). My wound was slight,
And I was hobbling back; and then a shell
Burst slick upon the duck-boards: so I fell
Into the bottomless mud, and lost the light.

Slag bij Passendale
De saillant was een gigantische, met bomkraters bezaaide woestenij vol puin en modder. En lijken. De lichamen waren geen lijken in de normale betekenis van het woord. Door al dat granaatvuur en die bombardementen waren ze voortdurend bestookt, en het hele terrein was een vieze slijmerige massa met botten en stukken vlees in ontbinding, aldus een overlevende van deze hel.
Als de generaals eens wisten wat ze hun manschappen aandeden dan zouden ze wellicht meer mededogen betuigen, beklaagden de Tommy’s zich, maar uiteraard weigerde Haig het slagveld te bezoeken; dat zou zijn objectiviteit alleen maar in de weg staan. Dus in plaats van de zinloosheid van het geheel onder ogen te zien, maakte hij het veroveren van Passendale, (een onbelangrijk, volkomen verpulverd dorpje bovenop een heuvel) tot topprioriteit. Niemand zag er enige heil in, maar toch werden voor het redden van zijn blazoen duizenden nieuwe rekruten richting slagveld gedirigeerd.

Menenpoort eert vermiste helden
We verlaten Ieper door de Menenpoort, de poort die ter nagedachtenis van alle gesneuvelde soldaten van het Commonwealth (mannen uit het hele Britse imperium vochten mee aan geallieerde zijde) werd opgericht. Het monument draagt de namen van bijna 55.000 vermiste militairen. Vanaf hier trokken zij naar hun Schepper en marcheren wij naar hun begraafplaats.
Reeds bij aankomst in de stad werd het verse kanonnenvoer met afgrijzen vervuld: Je had dat kanaal van Ieper naar de IJzer. En je kreeg een heel vreemd gevoel als je het overstak, dan gaf je zowat alle hoop op. En als je nog verder ging dan had je die afschuwelijke geur van de dood. Je kon het letterlijk ruiken.
“Jezus, hoeveel minachting voor het leven moet je hebben als je zoveel kerels achteloos de dood injaagt?”
“Zij stierven voor een groter goed, Ech Nie. For your tomorrow, they gave their today!”

Tyne Cot Cemetery
Uiteindelijk werd Passendale voor de Britten wat Langemark voor de Duitsers was: een onnodige, hemeltergende catastrofe. De blubberige vlek (meer was er niet van over) waar houwdegen Haig zijn zinnen op had gezet viel na een verbeten strijd tenslotte wel in geallieerde armen, maar de prijs was immens; tegenover acht armzalige kilometers terreinwinst stonden bijna 250.000 man aan doden, gewonden, vermisten en krijgsgevangenen. (ongeveer net zoveel als de Duitsers konden afschrijven) Bovendien ging het gewonnen gebied enkele maanden later weer verloren.
Passendale kwam daarmee symbool te staan voor de dwaasheid van de Eerste Wereldoorlog, de ultieme expressie van een vergeefse slachtpartij. Kort na de slag was men al furieus over het falen van het militaire management, en ruim honderd jaar na dato vraagt men zich nog altijd af; hoe heeft men hen in Godsnaam kunnen toestaan zo’n rampzalige tactiek te hanteren?



Lions led by donkeys
Kort nadat in 1918 de vrede was getekend (Door tussenkomst van Amerika werd Duitsland uiteindelijk naar de onderhandelingstafel gedrongen) liet Winston Churchill zich ontvallen dat hij graag zou zien dat de Engelsen de ruïnes van Ieper kochten omdat een heiligere plaats voor het Britse ras in de wereld niet zou bestaan. Zovelen hadden het hoogste offer gebracht (negen procent van de totale bevolking) dat er werkelijk geen enkele Engelse familie door de oorlog was overgeslagen. Geen wonder ook, want nadat het leger zijn beroepssoldaten had opgebruikt, moesten dienstplichtigen de hete kastanjes uit het vuur halen.
De doden – voor hen allen zijn
Garmt Stuiveling, frontgedachten
geen angst, geen pijnen meer;
maar wij, die niet gevallen zijn,
wij sterven altijd weer…
wij voelen steeds en overal
die eindloos eendre pijn:
ons hele verdre leven zal
één eeuwig sterven zijn...
Honderdduizenden bleven achter in Vlaandrens velden, maar zij die huiswaarts keerden waren totaal gedesillusioneerd. Weliswaar hadden ze gewonnen, maar de vuurwals waar ze door hun meerderen tegenin waren gedreven zou hen nooit meer loslaten. Het voelde alsof hun voorvaderen een bewuste aanslag op hen hadden gepleegd. Hun bruuske optreden was onvergeeflijk, op het misdadige af, en zou de gemoederen tot op de dag van vandaag bezig houden. They fought like lions, but were led by donkeys, werd een gevleugelde uitspraak.

I am the gentle, autumn rain. Do not stand by my grave, and cry— I am not there, I did not die.”
Poppy groeit uit tot symbool Eerste Wereldoorlog
In Flanders fields the poppies blow
John McCrae. In Flanders Fields
Between the crosses, row on row,
We are the Dead. Short days ago
We lived, felt dawn, saw sunset glow,
Loved, and were loved, and now we lie
In Flanders fields.
The poppie werd de bloem ter herdenking. Daar waar alles vernietigd was, de aarde omgewoeld en niks meer wilde groeien, daar hield de klaproos kranig stand. Het beroemde gedicht In Flanders Fields verwijst naar die toestand. De klaproos was het enige plantje wat zich nog boven de met bloed doordrenkte bodem durfde te vertonen.
Voor hen die vielen werd onder andere Tyne Cot Cemetery aangelegd. De begraafplaats ligt rondom een Duitse bunker die na verovering door Australische troepen als noodhospitaal functioneerde. Op verzoek van de Engelse koning richtte men bovenop het dak het Cross of Sacrifice op.
Als bevelvoerend officier sta ik keurig in het gelid te kijken hoe Ech Nie onder het kruis de kranslegging doet. Wanneer ze eerbiedig terugtreedt en naast me komt staan, salueren we beiden plechtig, klikken de hakken tegen elkaar en maken dan rechtsomkeert. Hierna wijs ik haar op de tekst die een nabijgelegen grafsteen draagt; Sacrificed to the fallacy that war can end war. Veel treffender kan een tekst niet zijn. Inderdaad, het was een misvatting, deze oorlog zou niet alle andere oorlogen beëindigen. Want waar de Engelsen hun wonden likten, daar geraakten de Duitsers vol van wrok.

Duitsland schreeuwt om wraak
In Versailles werd de vrede getekend, dat was waar, maar aan Duitse zijde voelde het opgedrongen verdrag meer als een dictaat. Zij kregen alle schuld in de schoenen geschoven en werden gedwongen de veroorzaakte schade te betalen. (van dat geld werd onder andere Ieper herbouwd)
Het kan niet waar zijn dat twee miljoen Duitsers vergeefs gevallen zijn. Neen, wij vergeven niet maar eisen wraak!
Adolf Hitler vertolkte de frustratie van een aanzienlijk deel van het Duitse volk. Zij waren nooit verslagen geweest, zij hadden hun loopgraven alleen maar verlaten omdat communisten en Joden hen een dolkstoot in de rug hadden gegeven, aldus de legende die spoedig rondging.

Nieuwe lichting wordt klaargestoomd voor volgende oorlog
Ook de Duitsers memoreerden hun doden, en dan met name die jongemannen die op het Studentenfriedhof Langemark ter aarde waren besteld. Toen de dodenakker in 1932 werd ingewijd sprak een veteraan de gedenkwaardige woorden:
Haastig aangevoerde korpsen van studenten, arbeiders en kooplieden, door grijsaards spottend kinderkorpsen genoemd, stormden met heldenmoed tegen de vuurspuwende heuvels op, en zongen in hun drang naar vrijheid “Deutschland, Deutschland über alles, über alles in der Welt. Zingend stierven die van Langemarck in het Rijk en in het Rijk zijn ze begraven. Want nogmaals: het heilige Duitse Rijk is niet gebonden aan grenzen en landen, het is oneindig zoals de wereld zelf, door God ingesteld, en als opdracht aan de Duitsers gegeven, om in de zichtbare wereld wetten en regels te stellen.
In die laatste regels zat de visie van de nazi’s reeds verscholen. De Langemarkmythe werd een ideologie. De Duitse jeugd werd voorgehouden dat deze helden opvolgers verdienden die evengoed bereid waren de hoogste prijs voor ’s lands eer te betalen. In Duitse kerken werd zelfs de gelijkenis met Christus gemaakt; net als Jezus zijn aardse leven op het altaar van de liefde gaf, zo zou ook de Duitse soldaat zijn leven voor het welzijn van het volk vrijwillig moeten aanbieden.
“En die nieuwe generatie Duitsers trapte er gewoon weer in?
“Vanzelfsprekend. Duitsland moest leven, zelfs als zij moesten sterven. Daar geloofden ze heilig in.”
“Bizar! Hadden ze net een Eerste Wereldoorlog achter de rug, liet ze zich weer door zo’n achterlijke generaal inpalmen?!”
“Het was nog erger meissie, de man die hen opnieuw naar de slachtbank leidde was slechts korporaal. Ech Wel!”
Ook wel eens de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog bezocht? Stil gestaan bij de slachtoffers of onder het commando van een incapabele senior gestaan? Laat het ons weten in de reacties hieronder.

Hen die vielen voor uw blijde eeuw (Adama van Scheltema, Aan die komen)
Praktische informatie
De werelderfgoedconferentie heeft er lang over moeten vergaderen, of ze een een conflict-gerelateerde site wel op de werelderfgoedlijst moesten toelaten. Maar na vijf jaar overleggen waren ze eruit, het mocht. Unesco memoreerde voornamelijk het feit dat voor het eerst in de geschiedenis bijna alle slachtoffers een individuele grafsteen kregen of bij naam werden genoemd. Dit zorgde voor een nieuwe manier van herdenken en was voor veel landen belangrijk om het verdriet een plek te geven. In totaal werden 139 verschillende locaties ingeschreven.
De sites liggen verspreid over België en Noord-Frankrijk en verschillen in grootte en (architectuur)stijl. De stenen daarentegen zijn uniform, de slachtoffers van de eerste industriële oorlog worden herdacht zonder onderscheid te maken in ras, rang, afkomst of geloof. In België geldt het oorlogslandschap van de Westhoek (Ieper en omgeving) als het meest representatieve gedeelte van dit werelderfgoed, in Frankrijk valt die eer te beurt aan Verdun (waar ook verschrikkelijk om gevochten is).
De Eerste Wereldoorlog is een onderwerp waar al veel over geschreven is maar waarvan de hoeveelheid narigheid voor een buitenstaander niettemin nauwelijks te bevatten valt. Daarom heb ik er in dit artikel voor gekozen hen die het conflict aan den lijve ondervonden zoveel mogelijk zélf het verhaal te vertellen. De biografie waaruit ik daarbij het meest putte was de dagboeken van Louis Barthas 1914-1918
In de loop van de oorlog schroomde Duitsland niet om de bezette gebieden voor eigen gewin in te zetten. Dat betekende niet alleen het plunderen van grondstoffen, machines en voedsel (door de geallieerde zeeblokkade kon het land deze zaken maar moeilijk importeren, iets wat Hitler in de Tweede Wereldoorlog motiveerde om Lebensraum te veroveren) maar ook de inzet van dwangarbeiders. Op grote schaal werden burgers uit België en Noord-Frankrijk opgepakt en in die Heimat te werk gesteld. Een van die plaatsen was de ijzersmelterij Völklingen van de familie Röchling.
De Belforttoren van de Ieperse lakenhal maakt ook onderdeel uit van het werelderfgoed: Belforten van België en Frankrijk
De omgeving van Ieper is bezaaid met oorlogsmonumenten. Wij kregen een goede indruk van wat zich hier allemaal had afgespeeld door de volgende gedenkplekken te bezoeken:
- Studentenfriedhof Langemark: Klerkenstraat 86a, 8920 Langemark-Poelkapelle, België (Duitse militaire begraafplaats)
- The Brooding Soldier: Brugseweg 123, Langemark-Poelkapelle, België (Elf meter hoge buste van Canadese soldaat die de eerste Duitse gifgasaanval op het slagveld markeert)
- Saint-Charles de Potyze: Zonnebeekseweg, 8900 Ieper, België (Franse militaire begraafplaats)
- Tyne Cot Cemetery: Vijfwegestraat 4, 8980 Zonnebeke, België (Engelse militaire begraafplaats)
Daarnaast bezochten wij in Ieper de Menenpoort, lakenhal met In Flanders Fields museum en gedenkteken voor de burgerslachtoffers.
Jaar van inschrijving: 2023
Bezocht: 06-02-2016
Nummer: 210
Lees ook:
– Bauhaus, en hoe de droom van een Duitse natie uiteenspatte
– Frans-Duitse machtsspelletjes transformeerden strategische stad Luxemburg tot onneembare vesting




