En het geschiedde in die dagen voor kerst dat Unesco een telling van zijn werelderfgoedsites had verordonneerd. De commissie had ze niet allemaal meer op een rijtje en vroeg zijn volgers te assisteren bij het op orde krijgen van de gegevens. Geen probleem natuurlijk, had ik geantwoord, en stelde voor een uitvoerig verslag over Goslar en zijn Rammelsbergmijnen te schrijven.

Toen ik Ech Nie het goede nieuws over onze opdracht mededeelde was ze meteen in blijde verwachting. Niet dat ze Goslar nou zo’n warm hart toedraagt, (ze had er zelfs nog nooit van gehoord) maar het vooruitzicht op een Duitse kerstmarkt doet haar hartje altijd sneller kloppen. “Oh, wat zijn we toch begenadigd”, riep ze verrukt. “Ech Wel”, antwoordde ik, en begon meteen met het plannen van de reis.

Gebouwen van de Rammelsbergmijn in de sneeuw
De Rammelsbergmijn in Goslar

Geen plaats in de herberg

De boodschap had ons luttele weken voor kerst bereikt en dus gingen we naarstig op zoek naar een geschikte verblijfplaats. Helaas bleek al snel dat er voor ons geen plaats was in de herberg. “Dan gaan we wel in een stal liggen”, zei Ech Nie verbeten. Het was duidelijk dat zij zich dit kerstfeest niet door de neus liet boren. “Er is nog wel één of andere hoeve beschikbaar in het bos buiten de stad”, opperde ik, “misschien moeten we dat maar doen?” Ech Nie stemde er mee in. Toen bleek dat er nog een plekje was sprak ze in vervoering: “Oh, wat zijn we toch gezegend!”

“Ech Wel”, antwoordde ik, en verzekerde ons van een romantisch verblijf in de woeste natuur van het Harzgebergte.

Oud vakwerkhuis vol kerstverlichting
Een romantisch verblijf in Goslar was wat Ech Nie voor ogen had…

Naar het Oosten

Enkele dagen later vertrokken we, bepakt en bezakt, voor onze lange reis naar het Oosten. Een ster wees ons de weg. De reis verliep voorspoedig en toen we de Autobahn bij de afslag Goslar verlieten, verkondigde ik Ech Nie monter dat het nu nog maar een half uurtje zou duren, alvorens we ons in het stro van de kribbe konden wentelen. “Oh, wat zijn we toch van geluk begiftigd”, antwoordde Ech Nie. Spontaan begon het te sneeuwen en leek de door ons gedroomde witte kerst uit te komen. “Ech Wel”, zei ik, en stuurde de auto met gezwinde vaart de beboste Harzheuvels op.

Oranje lichtgevende kerstster in donkere nacht
Een ster wees ons de weg

Sneeuwstorm

Maar wat zo mooi leek in den beginne, werd al spoedig ene nachtmerrie zonder weerga. We waren namelijk de eerste heuvel nog niet op of die lieve, schattige sneeuwvlokken veranderden plots in een ijzingwekkende sneeuwstorm. Samen met de invallende duisternis bleek dat al spoedig een behoorlijk zenuwslopende combinatie. Wat ook niet hielp was dat we de queestie winterbanden (“nergens voor nodig”) danig hadden onderschat. Een beslissing die ons in de eerste de beste haarspeldbocht al bijna noodlottig werd.

Hoewel ik toch ech wel rustig instuurde, trok de auto zich niks van dat commando aan en gleed die gewoon rechtdoor de andere weghelft op. Een ongeluk kon nog net worden voorkomen. “Oh, wat worden we toch altijd met malheur overladen”, piepte Ech Nie, toch al niet verzot op rijden in de bergen. “Ech Wel”, zei ik, en zag met leden ogen de sneeuwhopen op de weg steeds groter worden.

Schattige sneeuwvlokken veranderden in een ijzingwekkende sneeuwstorm (bron)

Escalatie

Met klotsende oksels en een gevaarlijk hoge hartslag glibberden we verder door Siberisch Duitsland. Voor ons was het zicht nihil, achter ons groeide de file. “Waarom hebben die klotemoffen ook niet gewoon gestrooid dan?”, foeterde ik wild, “en hebben ze hier nog nooit van straatlantaarns gehoord of zo?” Het waren de wanhoopskreten van een mens in nood. Als we maar niet vast kwamen te zitten in dit vreselijke weer, duimden we, want dan was de ellende helemaal niet meer te overzien. Weken later, als de sneeuw gesmolten was, zouden ze ons waarschijnlijk pas weer terugvinden.

Op een gegeven moment leek het er toch op dat we ernstig met die mogelijkheid rekening moesten houden. Heuvel op ging nauwelijks nog, heuvel af leek meer op sleetje rijden. Een queestie van tijd voor dit mis zou gaan. “Oh, wat zijn we toch een stel onzaligen” jammerde Ech Nie, toen ze ontdekte dat de vangrail naast ons ook nog eens ontbrak. “Ech Wel”, zei ik, en vervloekte dat verdomde Herrenvolk nog wat harder.

Lastig rijden in Siberisch Duitsland bron

Van kwaad tot erger

Aan onze beproeving leek definitief een einde te komen toen bij het insturen van een nieuwe bocht de achterkant van de auto er vandoor ging. Dat was het dan, dachten we, we glijden het ravijn in. “Komt laten wij aanbidden”, prevelde Ech Nie, klaar voor een vroegtijdig einde. Gelukkig herpakte een van de wielen zich en kon ik met kunst en vliegwerk nog net op tijd onze slee weer terug de weg op krijgen. Dit werd echt te gek, riepen we tegen elkaar, nog even en we kunnen het straks niet meer navertellen.

We overwogen de auto aan de kant te zetten maar verwierpen die optie ook meteen weer. Er was geen plaats langs de kant van de weg. En bovendien, wat moesten we dan? Lopen zou in deze omstandigheden helemaal zelfmoord wezen. We moesten dit gewoon nog heel even weten vol te houden. “Oh, wat zijn we toch met ongeluk behept ” beklaagde Ech Nie zich. “Ech Wel” zei ik, en klampte me vast aan de navigatie die nog tien minuten reistijd aangaf.

Waldhotel Untermühle in een dik pak sneeuw nabij Goslar
Waldhotel Untermühle, door het slechte weer reden we ons einddoel voorbij…

Nog meer rampspoed

Langzaam maar zeker naderden we, ongelooflijk genoeg, toch onze eindbestemming. De verlossing leek nabij. Helaas was Unesco blijkbaar nog niet helemaal overtuigd van onze toewijding en zond ze nieuwe tegenslag onze kant op. Net toen we dachten dat we het gehaald hadden, schoot tot onze verbijstering de navigatie weer terug naar tien minuten. “Wat krijgen we GVD nou weer?” raasde ik in volle furie. Ech Nie had het al gezien. “Oh hemel”, riep ze volledig overstuur, “we hebben door het slechte zicht de afslag gemist!”

Keren ging niet en dus moesten we tien minuten omrijden om weer daar te komen waar we net waren geweest. Ontzet keken we elkaar aan. Nog tien minuten in deze witte hel? Hoe gingen we dat in Godsnaam doen? We waren aan het eind van ons Latijn.

Helaas gold dat laatste ook voor onze trouwe vierwieler. Hoe die ook zijn best deed, met druk spinnende wielen op het dikke pak sneeuw kwam die geen meter meer vooruit. Erger nog. Langzaam gleden we weer terug de heuvel af! “Oh, we zijn verloren” gilde Ech Nie totaal reddeloos. “Ech Wel!”, schreeuwde ik en zag in een flits ons leven voorbij schieten. Onze dagen leken vervuld.

Op een gegeven moment konden we ech nie verder meer…

Verdoemd

Half in de berm kwamen we tot stilstand. “In excelsis Deo” zei Ech Nie, die blijkbaar toch nog wat Latijn over had. Ze sprong uit de auto in de hoop het kreng over de heuvel te duwen maar het was tevergeefs. Net als onze banden hadden ook de zolen van haar gympies niet het juiste profiel voor deze winterse omstandigheden. Ze gleed meteen onderuit. Paniek maakte zich van ons meester. “Oh, we zijn verdoemd”, riep Ech Nie helemaal van de kaart.” “Ech Wel!” bevestigde ik en hoopte stilletjes op een wonder.

Licht in de duisternis

Maar als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Precies op het moment dat we compleet wanhopig raakten, verscheen vanuit de donkerste nacht plotseling een fel licht. Jubelend van vreugde schreeuwde Ech Nie het uit; “Een engel!” Onmiddellijk vloog ze het witte schijnsel tegemoet. “U zijt wellekome”, dacht ik, en probeerde, tegen de straling in, te zien wat er gebeurde.

Helaas kon ik niks onderscheiden maar gelukkig keerde Ech Nie snel terug in de wagen. “Ok”, zei ze vol van welbehagen, “een klein stukje terug is een parkeerplaats waar we de auto kunnen neerzetten. Probeer daar te komen dan helpt Gabriël ons verder. Hij is ook pas aangekomen maar wil ons wel helpen om bij het hotel te komen.” Ik kon mijn oren nauwelijks geloven; “een goede Duitser?” vroeg ik voor de zekerheid. “Jawohl”, zei Ech Nie, “Oh, wat zijn we toch geprezen.”

“Ech Wel”, zei ik, en parkeerde de auto.

Handafdruk in de sneeuw
Een helpende hand in de sneeuw

De Verlosser

Even later kwam onze Verlosser in een jeep met tractorbanden aangereden en aanvaardden wij dankbaar Zijn hulp. We gooiden onze spullen over en reden met Hem mee naar huis voor kerstmis. Eenmaal aangekomen overlaadden we Hem uit dankbaarheid met goud, mirre en wierook. Dat had die wel verdiend. Toen Hij kort daarna vertrok, prees Ech Nie de Heer omdat Hij ons zo goed geholpen had. “Als we dit verhaal straks thuis vertellen, gelooft niemand ons”, zei ik. “Ach”, zei Ech Nie “iedereen vergeet zijn winterbanden toch wel eens?”

“Ik doelde eigenlijk meer op onze weldoener zelf…”

“Wat dan?” vroeg Ech Nie en keek me niet begrijpend aan. Ik schudde nog steeds mijn hoofd in ongeloof . “Iemand die met een helder licht aan ons verschijnt, als een dief in de nacht, en dan belangeloos de helpende hand toereikt. Wie kan dat nou anders zijn dan…”

Het kwartje viel bij Ech Nie. “Je wilt toch niet zeggen dat…?”

“Ja precies. Hij is weder gekomen, schat. Er ist wieder da!

“Nee?! Dat meen je niet! Ik had weleens van een Duitse herder gehoord maar dit…. Wie had dat ooit gedacht?”

“De Heiland is terug in die Heimat, schat! Ech Wel!”


Ook weleens onderweg in de problemen geraakt, je verkeken op het winterweer of een Duitse herder ontmoet? Laat het ons weten in de comments hieronder, we horen het graag!


Lees ook:

Haar kerstmarkt en mijn queeste in Goslar
Op de kerstmarkt van Hildesheim boom je over rozen