Haar kerstmarkt en mijn queeste in Goslar

Goslar

De dag na onze dodemansrit is Ech Nie nog niet helemaal de oude. “Ja maar schat, luister nou eens; het vriest inmiddels allang niet meer en waarschijnlijk hebben ze ook al wel gestrooid. Heus, we kunnen nou ech wel weer naar Goslar.”

“Hmmm…”

“En denk eens aan onze Unesco-queeste, die kunnen we toch ook niet zomaar laten liggen?”

“Nou dat moet wel lukken hoor, het is jouw queeste niet de mijne…”

“Okee, en de kerstmarkt dan? Daarvoor zijn we toch óók hier?”

“Hoe vaak moet ik het nog zeggen Ech Wel? Ik. Ga. Niet. Meer. In. De. Auto. Punt. Uit!” Het is duidelijk. Nee is dit keer ook echt nee. “Nou dan moeten we maar met het openbaar vervoer”, zeg ik, “want bussen glijden nooit van de weg…”

Winters plaatje van Goslar langs het waterMet de bus naar Goslar

In de bus richting stad vertel ik Ech Nie over de geschiedenis van Goslar. “Het is het jaar 911. Krap honderd jaar na de dood van Karel de Grote is de heerschappij van het geslacht der Karolingen tot een eind gekomen. Het Rijk is in drieën opgesplitst en in het oostelijke deel neemt Koenraad, een belangrijke adviseur van de laatste Karolingische koning, de macht over. Hij is weinig succesvol maar wijst in 919 Hendrik de Vogelaar aan als zijn opvolger. Het is deze vogelaar die het Oost-Frankische Rijk omvormt tot het Koninkrijk der Duitsers. Als eerste Duitse koning stichtte hij in 922 tevens de stad Goslar.” Ech Nie luistert niet. Bang als ze is voor een nieuwe zeperd let ze meer op de weg dan op verhalen over oude vogelaars. De horror van de dag ervoor is duidelijk nog niet uit haar gestel.

Besneeuwd daklandschap Goslar
Sneeuw bedekte daken van Goslar

Sfeer proeven

Gelukkig komt Ech Nie bij aankomst snel tot bezinning. Goslar blijkt tot haar verrassing nooit te zijn gebombardeerd en met zijn vakwerkhuizen, sneeuw bedekte daken en vele flikkerende kerstlichtjes biedt het zo’n prachtig mooi kerstplaatje dat ze meteen helemaal om is. “Oh, is dit niet wunderbar, Ech Wel?”

“Zei ik toch Ech Nie?, werelderfgoed is gewoon fabelhaft!”

Om nog wat extra in de stemming te komen snellen we naar een vrolijk uitziend kerstkraampje en bestellen daar onze eerste braadworst en Glühwein van de dag. Sfeer proeven noemen we dat.

De keizerlijke adelaar op een fontein in winters Goslar
“Een grappig vogeltje”, die keizerlijke adelaar

De keizerpalts

“Hee, kijk nou eens wat een grappig vogeltje!”, zegt Ech Nie met volle mond, “hebben ze die soms voor de ouwe vogelaar neergezet?” Ze wijst naar een fontein in het midden van de markt en kijkt me vragend aan. “Nee joh, dat is de Duitse keizersadelaar”, leg ik uit. “Goslar was vroeger namelijk een van de belangrijkste verblijfplaatsen van der Kaiser.”

“Van de keizer?”, herhaalt Ech Nie, “hebben ze hier dan ook zo’n palts als in Aken?”

“Jazeker”, bevestig ik. “En in tegenstelling tot Aken is deze nog volledig intact.”

Is het wirklich?”

Absolut!”

De keizerpalts in Goslar in een winters landschap
De keizerpalts

Karel de Grote

Terwijl we hand in hand naar de palts lopen, ga ik verder met dat wat ik in de bus begonnen ben. “De zoon van de vogelaar, Otto, spiegelde zich graag aan zijn legendarische voorganger Karel de Grote. Hij liet zich als eerste in Karels paltskerk tot koning kronen en werd later, net als Karel, keizer van een Rijk dat hij zag als de opvolger van het Romeinse imperium.”

Het Heilige Roomse Rijk, zoals zijn rijk de geschiedenis in is gegaan, was een groot gebied waarin allerlei vorstendommen tezamen kwamen. Omdat met zoveel kapiteins op het schip ruzie onderling altijd op de loer lag, organiseerde de keizer eens in de zoveel tijd een Reichstag. Zo konden de heren op een beschaafde wijze over hun geschillen praten en hoopte men oorlog te voorkomen. Omdat de keizer altijd voorzitter was van een dergelijke bijeenkomst bepaalde hij waar de genodigden werden ontvangen; van de 10e tot de 12e eeuw was dat vooral Goslar.

Een uithangbord met de ridder Ramm op gevel van huis in Goslar
Ridder Ramm

Ridder Ramm

Na de bezichtiging van het paleis wil Ech Nie zo snel mogelijk terug naar de kerstmarkt. “Hohoho Fraulein”, roep ik haar echter tot de orde, “het verhaal is nog niet af.”

“Maar ik heb zo’n trek in een vleesspies, Ech Wel.”

“Ja, dat had keizer Otto ook weleens.”

Oh ja?”

“Ja, en omdat Otto niet zomaar even een lekker stukje wild op de kerstmarkt kon halen, gaf hij op zekere dag zijn trouwe dienaar Ramm opdracht om voor hem een heerlijk hertenboutje te schieten.

“Aaah…”

“Niks te aaah, want toen Ramm zijn paard tijdens de jacht even alleen moest laten, ontdekte de knol, al schrapend met zijn hoef over de grond, de grootste zilverader ooit! Toen de keizer hoorde van de vondst was hij zo verheugd dat hij de berg zilver prompt naar ridder Ramm vernoemde; Rammelsberg dus.”

Rammelsbergmijn in Goslar in de sneeuw
De Rammelsberg

Mijn queeste

“Handig, zo’n paard”, merkt Ech Nie op. “Zeker” antwoord ik, “maar Unesco heeft niet het paard tot werelderfgoed verklaard, maar de bérg . Of beter gezegd; de mijn ín de berg. En aangezien we hier voor mijn queeste zijn, zit er niks anders op dan dat we óók die bezoeken.” Ech Nie vindt het maar een flauw woordgrapje. “We zijn hier toch ook voor mijn kerstmarkt”, riposteert ze gepikeerd. “Dat ook”, geef ik toe, “maar die is toch pas op zijn mooist als het donker is. Laten we er dus maar ónze queestemarkt van maken. Bekijken we eerst een stukje van mijn queeste en eten we daarna een spiesje op jouw markt.”

Omdat Ech Nie slechts met tegenzin akkoord gaat waarschuw ik haar meteen maar even voor de eventuele gevolgen. “Beter ga je nou niet chagrijnig lopen doen want anders neem ik je ook nog even mee op een tour langs het watermanagementsysteem. Rond de stad liggen namelijk tientallen meren, sloten en kanalen en aangezien die ook allemaal deel uitmaken van het werelderfgoed zou ik maar oppassen met wat je zegt. Voor je het weet zie je de kerstmarkt nooit meer!”

Beducht voor nog meer erfgoedellende salueert Ech Nie resoluut en marcheert zwijgend richting mijnen.

Mijnkarren op het spoor in de Rammelsberg Goslar
Mijn queeste

Oorlogsindustrie

Behalve zilver bleek de berg nog veel meer ertsen te herbergen. Koper, lood, zink, tin, ijzer; de Duitsers hoefden bij wijze van spreken maar te rammelen of er kwam al weer een nieuw edelmetaal uit de heuvel zetten. Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog kwam deze mineralenrijkdom ook de mannen van het Derde Rijk goed van pas. Zij wisten wel raad met de door dwangarbeiders gedolven ijzererts en goten het in allerlei mooie vormen ten behoeve van hun oorlogsindustrie. Wat dat betreft blijft het toch vreemd dat Goslar nooit is gebombardeerd. Heel Duitsland hebben de geallieerden zowat platgegooid, maar een industrie die absoluut noodzakelijk was voor het voortzetten van der Krieg lieten ze gewoon staan. Wahnsinn!

Kleedruimte met mijnwerkerpakken aan het plafond in Rammelsberg Goslar
Kleedruimte voor de mijnbouwers

Krijg de rambam

Enkele maanden voor ons bezoek(december 2013) hebben de bewoners wel eindelijk afstand kunnen doen van het ereburgerschap van hun geliefde edelgermaan Adolf Hitler. Dat werd ook wel eens tijd, vinden wij, maar als even later blijkt dat we de mijn alleen maar kunnen bezichtigen aan de hand van een Führung, verdenken we de inwoners er toch van dat ze nog steeds een beetje moeite hebben met dit besluit. Hoe dan ookwij passen ervoor om met z’n allen achter een Duitse leider aan te lopen. “Laat ze lekker de rambam krijgen”, vindt Ech Nie en ik geef haar groot gelijk. Dat ze goed zijn in kuilen graven geloven we wel.

Om Unesco toch onze betrokkenheid te tonen kopen we nog wel een kaartje voor het mijnmuseum. We kijken er een uurtje lang naar gedane bodemvondsten maar als onze buikjes beginnen te rammelen besluiten we terug te keren naar de kerstmarkt. De braadworsten en Glühwein hebben ons blijkbaar hard nodig.

Rode kopjes Gluhwein is kerstsferen
Glühwein

Haar kerstmarkt

De avond valt en op de Marktplatz zet men een oud mijnwerkerslied in. Ik wijs Ech Nie op één van de huizen waaruit mijnwerkersfiguren een rondje draaien maar op dit tijdstip heeft mevrouw daar geen enkele boodschap aan. Hoewel ze inmiddels begrijpt dat de oude keizerstad trots is op zijn Rammelsberg stort ze zich liever in het feestgedruis dan dat ze gluurt naar een of ander stom poppenhuis. Ook goed, denk ik, en besluit samen met mijn geliefde de kou met liters Glühwein te trotseren. Als we het echter op een gegeven moment toch wat fris krijgen, brengen we nog een laatste toost uit op der Kaiser, wensen iedereen fijne dagen en pakken vervolgens de taxi naar ons hotel.

Kerstlichtjes op Weihnachtsmarkt Goslar
Weihnachtsmarkt

Der Schweinhund

Onderweg raken we in gesprek met de chauffeur. We vertellen over onze bloedstollende rit de dag ervoor, over de sneeuw en de slippartijen. Hoe we niet verder kwamen en dat we uiteindelijk van een gewisse dood werden gered door een heel bijzonder man. De taximan kijkt ons ongelovig aan en begint dan onbedaarlijk te lachen. Hij vindt ons maar een stelletje domme kaaskoppen. “Wie gaat er nou met een paar zomerbanden de bergen in?” buldert die. “Eh ja, dat waren wij dus”, zeggen we beschaamd. “Verrückte Holländer”, gaat die verder, “of we wel weten hoe gevaarlijk dat is?”

“Ja dat weten we inmiddels ook ja”, antwoorden we.

Vervolgens gaat die echt los en verhaalt over het glorierijke Duitsland dat zo te lijden heeft van al die buitenlanders, dat hun roekeloze rijgedrag die schone Autobahn schaadt en dat ze eigenlijk allemaal maar beter weg kunnen blijven. “Hmmm”, denken we, “nou moet die Schweinhund natuurlijk niet al te bijdehand gaan worden…” In plaats van in te binden gaat onze  bruinhemd echter gewoon door met zijn donderpreek. “Dat we wel heel veel geluk hadden met die barmhartige Samaritaan, dat hij het niet kan geloven dat die ons hielp en dat hij ons gewoon zou hebben laten staan.” Aan het eind van de rit zijn we zo klaar met die lul (en zijn superieure winterbanden) dat we op het punt staan hem in elkaar te rammen. Wat denkt die fascist eigenlijk wel niet? Arschloch!

Kerstbomen op Weihnachtsmarkt Goslar

Gerechtigheid

Zwaar geïrriteerd komen we uiteindelijk aan op onze hotelkamer, maar als we toevallig een blik uit het raam werpen, verdwijnt dat chagrijn gelijk als sneeuw voor de zon. Hoewel er op de wegen uitgebreid gestrooid was gold dat niet voor het bospad waar het hotel aan lag, dat was nog steeds één groot wit kleed. En dan blijkt plotseling dat onze autobahnführer toch niet zo’n geweldenaar is als die ons zojuist had doen voorkomen. Ondanks zijn superauto met überbanden lukt het hem namelijk niet om terug de weg op te komen. Het bospad heeft een behoorlijk hellingspercentage en dat in combinatie met een klein kuiltje voor de heuvel is, tot ons groot genoegen, net iets teveel van zijn stuurmanskunst gevraagd. Hehehe, grinniken we, jammer joh!

“Zullen we die nepnazi een handje helpen?”, vraag ik Ech Nie voor de zekerheid. Ze is nooit zo van het leedvermaak en ondersteunt altijd graag de zwakkeren onder ons. “Laat hem lekker sterven”, antwoordt ze echter ad rem, “en zijn rammelbak d’r bij!”

“Juist schat, zo ken ik je weer. Mooie kerstgedachte ook…”

“Ja hè?”

“Ech Wel!”

6 Reacties

    1. Heerlijk he? Elk jaar doen wij ons tenminste een weekend tegoed aan Bratwurst, Glühwein en werelderfgoed.

      Gelukkig mogen we over 3 weken weer, zin an!! Ook nog plannen die kant op?

  1. Oh! Ik wil ook dit jaar naar een kerstmarkt in Duitsland en Goslar lijkt mij bijzonder speciaal om te bezoeken. Nu nog mijn vriend overhalen om de kou te trotseren.

    1. Goslar is ech een aanrader, klein maar fijn!

      Oh, en ik heb uit wel betrouwbare bron begrepen dat gloeiwijn, mits in voldoende mate gedronken, prima geschikt is tegen de kou…. 😉

Geef een reactie

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.

%d bloggers liken dit: