Duitsland is het land van mythen en sagen. Legendarische verhalen waarin eer, trouw, moed en zelfopoffering de hoofdrol spelen, hebben het bij onze Oosterburen altijd goed gedaan. En om Ech Nie onderweg naar Bremen wat te onderhouden, laat ik haar, in voorbereiding op ons werelderfgoedbezoek, alvast kennismaken met één van hun populairste heldendichten; het Roelandslied.

“Het Roelandslied?”

“Jazeker. Een middeleeuwse nummer 1 hit die werd gezongen door rondtrekkende minstrelen…”

“En wie was Roeland?”

“Dat was de meest onverschrokken ridder die Europa ooit heeft gekend. Hij sneuvelde op kruistocht in Spanje voor God en vaderland.”

Stenen Roeland met zwaard en schild onder een baldakijn voor stadhuis Bremen
Ridder Roeland, symbool van vrijheid en keizerlijke bescherming

Kerstening Saksen

In de tweede helft van de 8e eeuw maakte koning Karel de Grote serieus werk van de kerstening van Europa. Hij vond dat er binnen zijn Rijk slechts plaats was voor één religie en stelde daarom zijn onderdanen voor de simpele keus; dood of doop. Om zijn woorden kracht bij te zetten liet hij weerbarstige Saksen die, in weerwil van het koninklijke verzoek, stug bleven vasthouden aan hun geliefde Wodanseiken, massaal executeren.

“Dat blijft toch wel een vervelende Duitse gewoonte hè, die slachtpartijen?”

“Nee Ech Nie, dat zie je verkeerd. Karel was juist een zegen. Zijn drieste optreden leerde de barbaren namelijk dat alleen rechtschapen christenen een plekje onder de hemel verdienden.”

Buste Karel de Grote vol edelmetaal
Karel de Grote in edelmetaal

Dal van Ronceveaux

Het kordate optreden oogstte ook bewondering bij Suleiman, de islamitische stadhouder van het Spaanse Zaragoza. “Of Karel hem in ruil voor Noord-Spanje niet kon helpen de emir van Cordoba af te zetten?”

“Natuurlijk”, antwoordde Karel, en trok in 778 ten strijde. Eigenlijk had de Grote man verwacht dat de plaatselijke bevolking hem na zijn inval met open armen zou ontvangen – hij kwam ze immers bevrijden van het mohammedaanse juk – maar toen dat niet het geval bleek te zijn, blies hij al snel de aftocht. Op de weg terug volgde nog meer tegenslag. Op buit beluste Basken hakten tijdens het doorkruisen van het dal van Ronceveaux ongenadig hard op zijn achterhoede in en doodden vele van zijn beste manschappen. Onder de slachtoffers bevond zich ook graaf Roeland.”

“Goed nummer, Ech Wel”

“Het Roelandslied volgde pas drie eeuwen later, Ech Nie.”

Geharnaste ridder op paard met lans in de hand
Klaar voor de strijd

Kruistocht

Eind 11e eeuw bepaalde de paus dat een hernieuwde confrontatie met de moslims noodzakelijk was. De heidenen hadden reeds in de 8e eeuw het Heilige Land bezet en nu was volgens de katholieke leider de tijd gekomen om deze onrechtvaardigheid de wereld uit te helpen. Om maar zo veel mogelijk manhaftige ridders bij elkaar te krijgen deed de Kerk tal van mooie beloftes; veroverd gebied mocht door de kruisvaarders worden gehouden, eeuwige roem zou hun deel zijn en bij overlijden was een plaatsje in het paradijs gegarandeerd. Niet geheel toevallig begonnen rond diezelfde tijd ook troubadours hun lofzang op de edele koning Karel de Grote en zijn heroïsche krachtmeting met de wrede Saracenen.

“De Saracenen?”

“Ja, de islamieten dus.”

“Maar hij behaalde toch helemaal geen klinkende overwinning?”

“Daarom pasten de artiesten ook wat dichterlijke vrijheid toe.”

Roelandslied

Het Roelandslied begint met de mededeling dat Karel de Grote na zeven jaar strijd op het punt staat ook de laatste heidense stad, Zaragoza, terug in de christelijke schoot te brengen. Het zou de voltooiing van zijn grootste werk ooit zijn. Natuurlijk ziet de plaatselijke moslimleider de gebeurtenissen met lede ogen aan. Hij weet dat het geen zin heeft zich tegen de geweldenaar te verzetten maar wil toch ook wel graag zijn bevoorrechte positie behouden. “Of er misschien iets te onderhandelen valt?”, zo stelt de kalief voor, “want behalve dat hij over grote rijkdommen beschikt, is hij ook best bereid zichzelf te laten dopen…”

Roeland vertrouwt het niet. Hij kent de sluwe praktijken van de vijand en adviseert de stad gewapenderhand te nemen. Karel daarentegen, wil verder bloedvergieten voorkomen en zendt baron Ganelon op pad om de zaak met de moslims te beklinken. Ganelon is echter zo verbolgen over de aan hem verstrekte opdracht (die gezien de bedrieglijke aard der Saracenen een uiterst riskante onderneming is) dat hij samen met de islamieten een kwaadaardig plan bedenkt om de macht van Karel te breken.

Twee in brons gegoten ruiters voor het stadhuis van Bremen
Dappere ridders geven rugdekking

Hinderlaag

Terug in het katholieke kamp maakt Ganelon zijn heer wijs dat de Saracenen de vredesvoorwaarden hebben geaccepteerd. Iedereen kan weer veilig terug naar huis. Verheugd over dit goede (maar valse) nieuws keert Karel daarop weer naar zijn palts in Aken. Onderweg wordt op aanraden van Ganelon bij de smalle bergpas Ronceveaux een groep van 20.000 man achtergelaten. Zogenaamd om de rest van het leger rugdekking te kunnen geven, maar in werkelijkheid om door een islamitische overmacht te worden vermorzeld.

Roeland staat samen met elf andere edelheren aan het hoofd van voornoemde achterhoede. Wanneer zij na Karels vertrek over de vlakte turen, zien zij plotseling hoe honderdduizenden Saracenen, allen zo zwart als pek, de horizon verduisteren. Onmiddellijk beseffen de ridders door Ganelon verraden te zijn.

Standbeeld van ridder Roeland voor gildehuizen Bremen
Kloeke Roeland staat zijn mannetje. Op zijn schild staat de keizerlijke adelaar afgebeeld

Vecht voor God en vaderland

De christenen horen het klaroengeschal
En zien de Saracenen overal

De goddelozen zijn zo talrijk dat Roeland tot driemaal toe gemaand wordt op zijn hoorn Olifant te blazen. Op die manier zal Karel weten dat ze aangevallen worden en kan hij hen helpen om de ongelijke strijd te winnen.

Vervloekt zij de lafhartige!, antwoordt Roeland. Het is zijn eer te na om iemand anders zijn boontjes te laten doppen. Hij heeft God aan zijn zijde en weet bovendien dat een heldendood hem een ereplaats in het hemelse hiernamaals oplevert.

Wij mogen blijde sterven
Want wij zullen het hemelrijk verwerven

Rijk gedecoreerde voorgevel stadhuis Bremen en kerktorens Dom
Stadhuis en Dom, symbool van wereldlijke en geestelijke macht

Wraak

Terwijl de strijd losbarst breekt boven het Frankische Rijk een enorm onweer uit. Het lijkt wel alsof doemsdach aanstaande is. Dat de natuur slechts het grote verlies aan jonge levens betreurt, weet dan, behalve Roeland, nog niemand. Hoewel de fiere ridder zich met hand en tand tegen de muzelmannen verdedigt…

Ik heb er heden zovele geveld
Dat ze onmogelijk kunnen worden geteld

… ziet hij met gebroken hart toe hoe vele van zijn trouwe strijdmakkers het onderspit delven. Als er nog maar enkele tientallen over zijn, en Roeland zijn eigen einde ook voelt naderen, blaast hij eindelijk op zijn hoorn. Niet omdat hij hoopt dat Karel hem alsnog komt redden, maar omdat hij wil dat zijn dood gewroken wordt.

Voorgevel en groenkoperen dak stadhuis Bremen blinken in de zon
De acht gevelbeelden tussen de vensters stellen de keizer en de zeven keurvorsten van het Heilige Roomse Rijk voor

Doodsstrijd

Met zijn laatste krachten tracht Roeland vervolgens zijn zwaard Durendal tegen een rots kapot te slaan – hij vindt dat het wapen alleen Christus mag dienen – maar in plaats van het staal splijt hij slechts het steen. Het wordt hem allemaal teveel. Met zijn laatste adem eert Roeland zijn vaderland, zegt heil tegen zijn meester en valt met zijn gezicht richting vijand. (zodat iedereen weet dat hij niet op de vlucht sneuvelde.)

Aldus bleef die vrome ridder dood
En was schade en jammer groot

Onmiddellijk stuurt God een engel om Roelands ziel naar het paradijs te begeleiden.

Zuilen, arcades en overvloedig beeldhouwwerk sieren stadhuis Bremen
...de acht beelden vertegenwoordigden Bremens loyaliteit aan het Heilige Roomse Rijk maar ook de vrijheid ten opzichte van regionale heersers

Martelaar van het christelijk geloof

“Wat een stom einde. Ik had eigenlijk wel verwacht dat Roeland de Saracenen zou verslaan…”

“De kans om als martelaar van het christelijke geloof ten onder te gaan liet een ware ridder niet graag lopen, Ech Nie. Sterven in het harnas was een eer.”

“Maar leden de christenen dan opnieuw een nederlaag?”

“Nee natuurlijk niet. Roeland had toch op zijn hoorn geblazen?”

Standbeeld van ridder Roeland met in zijn ene hand het zwaard en de ander wijzend naar de engel op zijn riem
Roeland, de martelaar van het christelijk geloof, draagt op zijn riem een roos (symbool van Maria) en een engel

Het recht zegeviert

Wanneer Karel de Olifant hoort tetteren, keert hij direct om, galoppeert richting slagveld en maakt korte metten met het volledige islamitische leger. Om er zeker van te zijn dat ook echt iedere heiden zijn verdiende loon krijgt, vraagt hij God om de zon nog wat langer te laten schijnen. In het licht van de Almachtige wordt het voor zijn donkere opponenten immers onmogelijk zich te verstoppen.

Nadat in een persoonlijk duel ook de emir is verslagen, (waarbij aartsengel Gabriël hem een handje helpt) verovert Karel eindelijk Zaragoza en bekeert hij al zijn inwoners tot de enige ware religie. De zege van het recht is compleet als tenslotte in Aken de gemene Ganelon wordt gevierendeeld.

Monsterlijke waterspuwers onder balustrade stadhuis Bremen
Detail van de gevel. Het stadhuis geldt als het beste voorbeeld van de zogenaamde Wezerrenaissance

Symboliek Roelandslied

Zoals in de middeleeuwen te doen gebruikelijk staat het Roelandslied bol van de christelijke symboliek. Allereerst is daar de numerologie, de getallen in de tekst hebben allemaal een diepere betekenis. De zeven jaren die Karel de Grote nodig heeft om de kerstening van het Iberische schiereiland af te ronden, is een verwijzing naar Christus’ zeven dagen durende schepping; Karels twaalf edelmannen refereren aan Jezus’ twaalf discipelen en de drie keer dat Roeland weigert op zijn hoorn te blazen kunnen met Petrus’ drievoudige verloochening van de Heer in verband worden gebracht.

Daarnaast sluit het lied aan bij tal van bekende Bijbelpassages. De elementen die zich roeren als Roeland vecht voor zijn leven zijn gelijk aan de natuurverschijnselen die plaatsvinden tijdens Jezus’ kruisiging, Karels verzoek aan God om de dag te verlengen lijkt sterk op de bede van Jozua om de zon boven een Gideon stil te laten staan en natuurlijk kwijten de engelen zich in zowel het Heilige Schrift als in het heldendicht voorbeeldig van hun voornaamste taak; behoed de gelovige.

Markt Bremen met terrassen, stadhuis en Dom
Het stadhuis domineert het marktplein, de Dom staat wat meer op de achtergrond; oftewel, Verlossing bereikt men via de Raad

Onverslaanbaar

Maar ook zonder alle symboliek is de boodschap voor de goede verstaander wel duidelijk; wanneer het gaat tussen goed en kwaad, God en Satan, christendom en islam, dan is de katholieke kerk onoverwinnelijk. Al is het dal nog zo diep, zolang men trouw blijft aan Heer en meester kan er niet verloren worden. Pleegt men evenwel verraad, of hangt men een ander geloof aan, dan zal Gods toorn je voorgoed verdelgen.

“Nou dat moet voor de nieuwe lichting kruisvaarders wel een geruststellende gedachte geweest zijn…”

“Dat was ook precies de bedoeling, Ech Nie. Gods krijgers moesten weten dat ze in het heetst van de strijd altijd op Hem konden rekenen. En of ze het er nou levend vanaf brachten of niet, Hij zou ze voor hun betoonde moed rijkelijk belonen.”

Drie trapgevels stadhuis Bremen en rijk beeldhouwwerk
Tekens van de dierenriem, de vier seizoenen, de kardinale deugden, allerhande legendes; dát en meer werd allemaal in de rijke geveldecoratie verwerkt

Bremer stadhuis

Aangekomen in Bremen kiezen we er traditiegetrouw voor om eerst even wat te gaan drinken alvorens we het werelderfgoed aan een nadere inspectie onderwerpen. Terwijl ik de uitgebreide bierlijst van een aan de markt gelegen café doorloop, wijs ik Ech Nie op Bremens beste brouwkunsten. “Al sinds de Hanzetijd is de stad vermaard om zijn smakelijke gerstenat.”

“Huh, de Hanze? Wat was dat ook alweer?”

“De Hanze was een verbond van steden dat de onderlinge handel stimuleerde en elkaar bescherming bood.”

“Oh, ja. Waar Lübeck de koningin van was toch?”

“Ja, precies. Zij vormde lange tijd de spin in het web. Maar behalve Lübeck profiteerde ook Bremen van alle bedrijvigheid die zich rond de Oost- en Noordzee ontwikkelde. Kijk maar naar het stadhuis hier. Gebouwd om de macht van de stad uit te stralen werd het, zoals je ziet, overvloedig met beeldhouwwerk gedecoreerd. De begane grond gebruikten de kooplui voor hun economische activiteiten en bovenin hielden de handelaren hun statige banketten en recepties. Om bezoekers te imponeren werd de hele verdieping met aan de Hanze gerelateerde kunstwerken volgehangen.”

“En moeten we dat straks allemaal nog gaan bekijken, Ech Wel?

“Nou zullen we ons eerst even op het bier concentreren, Ech Nie?”

Twee vrouwelijke figuren rondom wapenschild, een draagt stadssleutel Bremen
Tussen al het weelderige beeldhouwwerk in staat ook een figuur die de Bremer stadssleutel draagt

Groen bier

“Afijn, wat ik dus zeggen wou, sommige Hanzeleden hadden zo hun eigen specialiteit. Krakau was groot in zout, Bergen exporteerde voornamelijk stokvis en Brugge spitste zich toe op laken. Voor Bremen was bier het voornaamste goed. Zo waren ze hier bijvoorbeeld een van de eersten die met gerst en hop gingen experimenteren.”

“Nou dat belooft wat, een stad met zo’n geschiedenis zal vast wel een paar speciaaltjes in zijn assortiment hebben.”

“Dat lijkt me wel ja. Zo te lezen hebben ze zelfs groen bier…”

“Groen?”

“Ja, ik weet het ook niet. Maar laten we die maar eens proberen dan…”

Logo Beck's met zilveren sleutel op rood heraldiek schild en sleutels

Beck’s

Wachtend op de serveerster deel ik ondertussen nog wat wetenswaardigheden over Bremens beroemdste bier, Beck’s. “Niet alleen is het ’s lands meest geëxporteerde lager – en dat wil wat zeggen in dit land – maar het logo verwijst tevens naar twee hoogtepunten in de Bremer geschiedenis. De rood met witte kleuren van het heraldieke schild refereren aan de tijd van de Hanze (dat dezelfde kleuren voer) en de sleutel slaat op het stadswapen en de stichting van de plaatselijke kathedraal door Karel de Grote.

“Ja, ik dacht al. Karel bekeerde de Saksen toch niet alleen maar met het zwaard?”

Gietijzer, zwart uithangbord met bloemmotieven, lamp en de vier Bremer stadsmuzikanten
Op het uithangbord voor de Domspitsen de vier Bremer straatmuzikanten

Bremer bisdom

“Nee, maar het duurde wel even voordat die doorhad dat het ook anders kon hoor. In de veronderstelling dat hij de Saksen in 776 definitief had verslagen, was hij op kruistocht in Spanje gegaan, maar hij was nog maar net terug of die vervelende Saksen kwamen alweer in opstand. Geïrriteerd over de gang van zaken liet hij in 782 duizenden van die besnorde woudmannen een kopje kleiner maken.”

“Om de barbaren te leren dat alleen rechtschapen christenen een plekje onder de hemel verdienden?”

“Juist. Maar hoewel Karel dus te goeder trouw handelde, kwam de brute actie hem in eigen kring toch op kritiek te staan. Priesters predikten dat de katholieke leer door middel van Gods woord in de hoofden van mensen moest gaan rondwaren en dat het niet per se de bedoeling was om hun hersens er mee in te slaan. Vandaar dat nobele Karel zijn slagerswerk op een lager pitje zette en in Bremen een bisdom stichtte.”

De sleutels van Petrus

De kathedraal van Bremen werd gewijd aan Petrus, de apostel die volgens de Bijbel de sleutels van het koninkrijk der hemelen ontving. Volgens de katholieke kerk ging het daarbij om een gouden en een zilveren exemplaar en vertegenwoordigde eerstgenoemde de geestelijke macht en drukte de zilveren opener de wereldlijke macht over de gelovigen uit.

“Of, in het geval van Bremen, de overwinning van Karels christendom op de ongelovige Saksen?”

“Precies. En nog even voor we gaan proosten; (ons groene bier is eindelijk gearriveerd) de zilveren sleutel die het logo van Beck’s siert, is het spiegelbeeld van diegene die op het stadswapen staat. De kerkenbroeders hadden namelijk liever niet dan hun heilige symbool met alcohol werd geassocieerd…”

“Proost, Ech Wel!”

Zum Wohl, Ech Nie!”

Zijaanzicht stadhuis Bremen met ambulance op de voorgrond
Nadat er wat in mijn bier was gegooid ging het even niet zo lekker maar gelukkig was een ambulance gauw ter plaatse

Bijna-doodervaring

“GAD-VER-RE-DAM-ME!!” We hebben de glazen nog niet geklonken of ik proest het vreselijke bocht alweer uit. “Wat is dit nou weer ?!! Hebben die rotmoffen nou GVD siroop in m’n bier gestopt?!! Zijn ze nou helemaal…” Ech Nie schatert het uit. “Haha, moet je dat gezicht zien. Alsof er net een aanslag op hem is gepleegd…”

“Ja lach maar. Ik had wel dood kunnen wezen…”

“Schei toch uit man. Net als die keer in Höxter zeker? Toen de lokale toverkol je zogenaamd wilde vergiftigen?”

“Dat alcoholvrije biertje overleefde ik inderdaad maar ternauwernood, Ech Nie…”

Bremer stadsmuzikanten

Blijkbaar herinnert het trieste voorval Ech Nie aan de fabelachtige gebeurtenissen die we rond het klooster van Corvey beleefden, want zodra ze van alle hilariteit bekomen is, vraagt ze me met feeërieke stem; “Over mythen en sagen gesproken, lag Bremen niet ook aan die beroemde sprookjesroute van de gebroeders Grimm?”

“Jazeker. Men zegt dat er hier eens, héél lang geleden, vier oude, afgedankte dieren waren; een ezel, een hond, een kat en een haan. Verstoten door hun bazen vertrokken ze naar Bremen om aldaar als straatmuzikant de kost te gaan verdienen. Onderweg naar de stad, het is dan al midden in de nacht, belandden ze bij een oud huisje in een donker bos. Een blik door het raam leerde het kwartet dat zich binnen drie rovers en een goed gedekte tafel bevonden. De vier klommen vervolgens bij elkaar op de rug (de hond op de ezel, daarboven de kat en de haan in de top) en verjoegen met veel kabaal de drie schurken (die dachten dat ze door een monster aangevallen werden).”

“En toen leefden ze nog lang en gelukkig?”

“Inderdaad. Ze moesten de boeven nog wel even voor een tweede keer verdrijven, maar daarna beviel het huisje ze zo goed dat ze er nooit meer zijn weggegaan.”

“En de moraal van het verhaal?”

“Samen sta je sterk, Ech Nie. Of, zoals Karel de Grote het altijd verwoordde; Eendracht maakt macht!”

Schild van ridder Roeland met tweekoppige, keizerlijke adelaar en tekst
Op Roelands schild staat geschreven: vryheit do ik ju openbar / d’ karl vnd mēnich vorst vorwar / desser stede ghegheuen hat / des danket god’ is mī radt

Vrije stad Bremen

Uiteindelijk lukte het Karel de Grote de Saksen definitief te onderwerpen. Langzaamaan lieten zij hun natuurreligie los en accepteerden ze de katholieke leer. Nog een paar eeuwen verder werd Karel door iedereen beschouwd als de stichter van het Heilige Roomse Rijk. In diezelfde traditie kreeg Roeland de rol van martelaar toebedeeld. De voortdurende lofzang op Karels trouwste vazal maakte hem tot de ultieme vrijheidsstrijder, de koene ridder die zijn leven grootmoedig had gegeven om de eer van God en vaderland te redden. “Een typisch Germaanse opvatting mogen we wel zeggen.”

“Helemaal waar, Ech Nie. Maar in zijn strijd tegen de heidenen zagen de Saksen vooral een streven naar onafhankelijkheid. (zoals zij zelf ook altijd voor een vrij bestaan hadden gevochten) En met die gedachte in het achterhoofd moet je ook de tekst op Roelands schild lezen. Vrij vertaald staat daar:”

Namens Karel schenk ik de stad vrijheid,
Dankt u daarom God

“Dus als ik het goed begrijp veroverde Karel de Grote op bloedige wijze Bremen maar vertaalde die dat zelf als een gift van autonomie aan de stad?”

“Je hebt hem helemaal door, schat. Al beweerde de Kerk dat zij verantwoordelijk waren voor de soevereiniteit van de stad, omdat hun eerste bisschop die bij Karel zou hebben losgepeuterd.”

Terrastafel gevuld met bier, wijn, brood en vleesgerechtjes
Naast groen wordt er in Bremen ook geel bier geschonken

Terrastijd

“Fijn, nou zullen we het werelderfgoed dan nu maar eens gaan bekijken? Het is alweer laat aan het worden…”

“Ben jij besodemieterd? Je kan het zo toch zien?”

“Jawel, maar ik dacht dat…”

“Welnee, zo bijzonder is het allemaal niet. Een stadhuis en een standbeeld. Lekker boeien.”

“Nou je hebt er anders genoeg woorden aan vuil gemaakt…”

“Daarom juist. Wat zouden we ons dan nu nog gaan vermoeien met een bezichtiging? We kunnen ook gewoon lekker aan het bier gaan. Ik lust nog wel een speciaaltje hoor…”

“Nou goed dan. Ik zit hier best. Wat voor kleur had u gehad willen hebben?”

“Laten we eens gek doen. Schenk voor mij maar zo’n gele in. Ech Wel!”


Ook wel eens in Bremen geweest? Het Roelandslied gezongen, of groen bier gedronken? Laat het ons weten in de reacties hieronder, we horen het graag!


Praktische informatie

Adres: Am Markt 21, 28195 Bremen, Duitsland
Jaar van inschrijving: 2004
Officiële website: Rathaus Bremen

Tip: het Middelnederlandse Roelandslied kan (inclusief uitgebreide analyse) in zijn geheel worden nagelezen op de site van de digitale bibliotheek van de Nederlandse letteren.


Lees ook:

* Over de Germaanse religie

Geloof in beuk wortelde diep bij Germaanse stammen

* Over Karel de Grote in Spanje

Altijd weer hetzelfde met die Asturische monumenten van Oviedo

* Over bier in Duitsland

Na Regensburg wisten we het zeker, één bier maakt nog geen zomer