Tegen het vallen van de avond bestel ik in het Pier House van Charlestown; “Two pints, two fish and chips and one Cornish pasty.”

That’ll be all, sir?

“Nou doe er ook nog maar een applecider bij…”

“Nee joh!”, corrigeert Ech Nie mij. “Applecider is met alcohol. Dat kan niet voor een kind van twee! Applejuice moet je hebben.”

“Oh ja.”

Ronde havenmond Charlestown met kleurrijke huizen in Georgiaanse stijl
Kades van Charlestown, links het Pier House

Cornish pasty in de haven van Charlestown

Wanneer we even later aan tafel zitten, onthul ik Ech Nie en Ech Leuk hoezeer de Cornish pasty met de streek verweven is; “De halfronde pastei was het traditionele gerecht van de zwoegende mijnwerker die hier in de 18e en 19e eeuw grote hoeveelheden koper en tin naar boven haalde. Hij kreeg de zware hap mee van zijn vrouw als tegenwicht voor het beulswerk dat hij ondergronds verrichten moest.”

Nice to know.”, vindt Ech Nie.

“Dat Charlestown het resultaat is van Charles Rashleighs niet aflatende ijver is wellicht ook leuk om te weten”, vervolg ik. “Hij was de entrepreneur die het kleine vissersdorpje West Porthmear, dat hij op zekere dag kocht en tot zijn aankoop uit niet meer dan een paar cottages bestond, tijdens de hoogtijdagen van het mijndistrict omtoverde tot een van de drukste havenstadjes van Cornwall. Dankzij zijn inspanningen kon het gehucht van negen inwoners uitgroeien tot een welvarend plaatsje dat ongeveer drieduizend zielen telde. Uit dankbaarheid voor zijn goede daden hernoemden de inwoners hun plekje naar zijn grote roerganger; Charles’ town.”

Dok Charlestown met twee grote zeilschepen
De haven van Charlestown werd voornamelijk gebruikt voor de uitvoer van koper en de import van steenkool (uit Wales)

Koper en tin uit Cornwall

Na de maaltijd doen we nog een klein rondje door het druilerige Charlestown.

“Kijk mama, papa, modderpoelen!!”, roept Ech Leuk enthousiast, en begint vol overgave in de regenplassen te stampen. Terwijl de kleine zich kostelijk vermaakt doe ik Ech Nie van kond hoe zo’n 280 miljoen jaar geleden continentale platen in Cornwall op elkaar botsten.

“Ja dat vertelde je gisteren al aan de Jurassic Coast.”

“Weet ik, maar waar er daar fascinerende sedimentaire legen ontstonden, vulden zich hier de scheuren in het aardoppervlak met mineralen die later tot loodrechte lagen koper en tin kristalliseerden. In de klassieke oudheid ontdekte men vervolgens dat de samensmelting van beide metalen het waardevolle brons opleverde.”

“Aha.”

“Ja, en omdat de ertsen hier vroeger voor het oprapen lagen, en met name de Romeinen erg in het metaal geïnteresseerd waren, ontstond er duizenden jaren geleden al een levendige handel tussen Cornwall en het Middellandse Zeegebied.”

“Ja volgens mij vertelde je zoiets al in La Coruña toch?”

“Dat klopt inderdaad, Ech Nie. Ook de Keltische volken van Noord-Spanje en Zuid-Engeland onderhielden destijds nauwe contacten met elkaar. Zij zeilden regelmatig heen en weer voor het uitwisselen van waardevolle elementen.”

Havenbekken Charlestown met vissers uitkijkend over zee
Handelshavens zijn geen ongewoon verschijnsel in Zuid-Engeland. Ze zijn er al duizenden jaren

Keltische roots van Cornwall

Graag zou ik daar nog wat verder over uitweiden maar inmiddels is Ech Leuk zo doorweekt van het water dat ik de draad van het verhaal pas weer kan oppakken als ze met droge kleren uitgeput op de achterbank van de auto in slaap valt. “Goed, waar was ik?”

“Bij de Kelten, suffie.”

“Oh ja, ik weet het weer. Welnu, de Keltische roots vindt men ook terug in de naam van het huidige graafschap. Cornwall komt namelijk van Cornwalas; letterlijk vertaald: de hoorn(vormige landengte) van de walas.”

“De walas?”

“Ja, oftewel, de vreemdelingen. De Angelsaksen (waarnaar Engeland vernoemd werd) settelden zich enkele eeuwen later dan de Kelten op het Britse eiland en zagen de oorspronkelijke bewoners als vreemdelingen.”

“Okay…”

“Op zich niet heel verwonderlijk hoor, sommige Cornish zien de Angelsaksen ook nog steeds als buitenlanders.”

“Klinkt als een echt Verénigd Koninkrijk…”, merkt Ech Nie cynisch op.

Granieten kliffen rijzen op uit onstuimige blauwe zee
Cornwall rocks!

King Arthur, de held van Cornwall

“De aandacht voor het Keltische verleden schoot ten tijde van de Romantiek al wortel. Het was in die periode populair om je identiteit te ontlenen aan legendarische voorouders en om die reden beweerden de Engelsen dat hun stamboom was terug te voeren op de Trojaan Brutus, de legendarische eerste koning van het naar hem vernoemde Brittanië. De Cornish claimden op hun beurt af te stammen van Brutus’ neef Corinaeus, een kundig strijder die het district verwierf nadat hij zijn heerser, een woeste reus, van een klif afgooide.”   

“Corinaeus? Oh daar herken je het woord Cornwall ook al in.”

“Exact. Net als in Cornovii trouwens, de naam van de Keltische stam die zich in Cornwall vestigde. Corinaeus is echter niet de held die hier het meest gevierd wordt, dat is King Arthur, de onverschrokken Cornische strijder die zo moedig tegen de Angelsaksen vocht.”

“Die vent van de ronde tafel bedoel je?”

“Inderdaad, de meest nobele ridder van allemaal. De mensen hier zien hem eigenlijk als de Britse Hercules.”

“In navolging van de Hercules die men in La Coruña op een voetstuk plaatste?”

“Ik hoef jou niks meer te vertellen, Ech Nie. Jij onthoudt alles.”

Pier Penzance met zwart hekwerk en monument in de vorm van een obelisk
Penzance pier

Miserabel verblijf in Penzance

Na een tijdje arriveren we in Penzance, een stadje vlakbij Land’s End, waar we de nacht doorbrengen. Maar hoewel het geboekte hotel best aardige bedden heeft, treffen we gedurende ons verblijf zoveel haren op verkeerde plaatsen aan dat Ech Nie’s humeur spontaan naar het nulpunt daalt. “Oh how disgusting!!”

Haar chagrijn wordt zo mogelijk nog erger als de volgende dag blijkt dat de douche niet meer dan een zielig straaltje ijskoud water produceert en het English Breakfast uit niet meer dan een paar ielige kwarteleitjes en wat verschrompelde champignons bestaat. “Oh my god, wat een horror zeg! En dat uitgerekend vandaag!”

“Ja, dit doet geen recht aan de schoonheid van de omgeving, my love. Laten we maar snel naar St. Just gaan.”

Driehoekig verkeersplein in St Just met klassieke richtingaanwijzer en omringd door grijze huizen en oude kerktoren
Het bruisende centrum van St. Just

St. Just-in-Penwith

Als we niet veel later aankomen in het nabijgelegen mijnwerkersstadje vertel ik een nog altijd mokkende Ech Nie dat deze plek net als Charlestown vroeger een en al bedrijvigheid was.”

“Nou ik word hier anders niet happy van, Ech Wel. Ik zie geen mens.”

“Tsja, de teloorgang van de mijnindustrie ging ook St Just niet voorbij, schat. Veel van zijn inwoners emigreerden naar elders toen in 1860 de prijzen van koper en tin instortten.”

Verlaten straat geflankeerd door grijze arbeidershuisjes
Veel granieten mijnwerkershuisjes in St. Just

Botallack en Levantmijn aan de Tin Coast

In de veronderstelling dat het samenspel van steile kliffen en verruïneerde machinehuizen Ech Nie wel zal opbeuren, rijden we snel verder naar de naburige kust. De ruige rotsen aldaar vormden in vroeger tijden de fundering onder de Botallack- en Levant-mijn en bieden in hun tegenwoordige, haveloze staat een bijzonder fraai zeegezicht. “Kijk dan”, roep ik geestdriftig naar mijn gevolg, “is het niet geweldig? Veel romantischer dan de Tin Coast ga je het niet krijgen hoor!”

“Ik heb mijn blik even op onze dochter gericht, Ech Wel. Straks lazert ze nog in het ravijn.”

“Ja, je moet hier wel uitkijken inderdaad, een ongeluk zit in een klein hoekje. De Cornish leerden dat ook de hard way.”

Ruïnes met hoge schoorsteen bovenop de klippen van Cornwall
Resten van de Botallackmijn boven de steile kliffen van Cornwall

Het zware leven van de Cornish miner

Hoewel ze bij dageraad opstonden, zagen ze nooit de zon. De nauwe, bedompte gangen waarin de miners hun noeste arbeid verrichtten lagen dermate diep onder de zeebodem dat ze altijd door een dikke duisternis omgeven waren. Voor enig licht aan het eind van de tunnel waren de heren aangewezen op het flikkerende schijnsel van een schamele kaars. Bovendien steeg de temperatuur op hun werkplek soms tot wel 45 graden Celsius, waren sanitaire voorzieningen niet bestaand en was de atmosfeer dankzij ronddwarrelend steenstof en het veelvuldig gebruik van buskruit zozeer verziekt dat hartfalen, longinfecties en/of problemen met het spijsverteringskanaal algemeen voorkomend waren.

“Nou dat klinkt allemaal weer lekker romantisch zeg…”, moppert Ech Nie tussen twee alinea’s door.

“Tsja, dat de gemiddelde mijnwerker niet ouder dan veertig werd is natuurlijk een triest verhaal, dat klopt, maar aan de andere kant bewerkstelligden de Herculessen van de ondergrondse wel een Industriële Revolutie die de moderne tijd mogelijk maakte. Dankzij hun gewroet in Moeder Aarde kon het land zich ontwikkelen en staan we nu naar een van de fraaiste patrimoniums ter wereld te staren. Wat wil een mens nou nog meer?”

“Nou je zou bij Romantiek bijvoorbeeld ook eens aan je vrouw kunnen denken, Ech Wel…”

Mijnschacht en houten vervallen hekwerk
Eens een florerende industrie, nu een werelderfgoed in verval

Werken met de longen uit je lijf

“Jij bent altijd in mijn gedachten, Ech Nie. Dat weet je toch? Maar ik heb het nu even over de tragiek van het proletariaat. Neem nou bijvoorbeeld de ladders waarmee die roestvrijstalen bikkels naar hun werk moesten gaan. Die waren op een gegeven moment dus zo groot in aantal dat het soms wel uren duurde voordat men daar was waar men wezen moest. En als je dan bedenkt dat niemand in die tijd van valbeveiliging had gehoord en een misstap na een vermoeiende dag in de mijnen al gauw gemaakt was, dan hoef ik jou waarschijnlijk niet te vertellen hoezeer die treden op het ziekteverzuim drukten?”

“Nee hoor…”

“En staande on the grass was het gevaar allerminst verdwenen. Met hun bezwete lichamen verlieten de mannen de bloedhete schacht en liepen ze door weer en wind richting hun armetierige heidehuisjes die kilometers verderop lagen. De wandelingen bleken in tegenstelling tot wat je misschien zou verwachten allerminst goed voor de gezondheid (de overgang tussen warm en koud was te bruut) en leidden niet zelden tot fatale ontstekingen aan de toch al zwaar aangetaste ademhalingsorganen.”

Grote ronde stenen schoorsteen kijkt uit over ruige kustlijn Cornwall
Prachtig samenspel van industrie en natuur kenmerken het St. Just mijndistrict

Li-la-lente

“Kijk papa, bloem.”

“Hè wat?”

“Blauw.”

“Oh ja, mooi zeg.”

“Voor mama.”

“Ach, wat lief van jou!”

“Ja, Vergeet-mij-nietjes”, valt vrouwlief ons korzelig in de rede. “Daar kan jij nog een voorbeeld aan nemen…”

Mijnongelukken in Cornwall

Nou moe, wat nou weer? Ben ik te zeer tegen de klippen opgegaan of kan mijn eega het droevige einde van mijn romantische verhaal niet waarderen? Ik weet het niet. In het verleden heeft ze natuurlijk wel vaker laten zien dat zij van pure Romantiek weinig of niks begrijpt en om die reden twijfel ik ook een beetje of ik haar wel op de hoogte moet stellen van het feit dat er geen enkele activiteit binnen het Britse Rijk te vinden was waarbij men op zoveel verschillende manieren het loodje kon leggen als in het delfstoffenrijk. Dankzij vergassingen, ontploffingen, instortingen, overstromingen en valpartijen vielen er elke dag wel een paar slachtoffers te betreuren.

Misschien is het beter als ik de vele individuele ongelukken ongenoemd laat, bedenk ik me, en me slechts beperk tot de grotere rampen die Cornwall teisterden. “In juli 1846 verdronken 39 ongelukkigen toen een plotselinge stortbui de mijn Wheal Rose onder water zette en een halve eeuw later vielen er eenendertig tinnen soldaten te pletter toen de Man Engine in de Levant-mijn het begaf. (de Man Engine was een op en neer bewegend mechanisme dat het vele traplopen verving en waarbij je op je weg naar boven telkens van platform moest wisselen om verder te komen)

Vervallen machinehuis Levantmijn aan de rand van een klif
De levantmijn leverde in zijn topjaar 1913 100.000 ton koper en 18.500 ton tin op

Machinehuizen domineren het landschap

Wanneer ik echter ook de negen doden van de Botallack-mijn aan wil snijden, bemerk ik dat mijn reisgezelschap inmiddels meer aandacht voor het ontluikende voorjaar heeft dan voor de elementaire geschiedenis van Cornwall. “Kijk mama, een gele bloem!”

“Oh kijk uit, darling, daar zitten doornen omheen. Laat je vader die maar plukken.”

Geprikkeld over de zoveelste stekelige opmerking meld ik de bloemenmeiden dat ze het wat mij betreft even lekker zelf uit mogen zoeken en dat ik me ga focussen op de bijzondere en universele waarde van het patrimonium waar we tussen staan.

“Ja hoor, laat ons maar weer alleen.”

Kenmerkend voor Cornwall zijn de vele machinehuizen die vroeger de stoommachines omsloten en waarmee men het water uit de mijnen pompte. Met hun half afgebrokkelde schoorstenen en reeds lang geleden bezweken daken domineren ze nog altijd het landschap. De twee meest iconische van allemaal worden the Crowns genoemd. Ze staan gebroederlijk aan de rand van de granieten kustlijn en geven het begrip cliffhanger een geheel nieuwe betekenis.

Twee vervallen machinehuizen net boven de golven van de Atlantische Oceaan
The Crowns geven het begrip cliffhanger een nieuwe lading…

St. Agnes mijndistrict

“En dan is het nu tijd voor een verrassing!”, roep ik bij mijn return.

“Yeeeeeeh!!!”, gilt Ech Leuk vol verwachting, en met uitgestoken armen vliegt ze me in de armen. “Oh, dus toch?”, klinkt het eveneens hoopvol uit Ech Nie’s mond. “Of course, wat dacht je dan?”

“Nee, nou ja, ik weet niet, ik dacht even dat je geheugen je in de steek had gelaten…”

“Welnee, je kent me toch?”

“Met een bont boeket bloemen op de hoedenplank rijden we vervolgens naar de Trevaunance Cove, een open zandbaai tussen de rotsen van het St. Agnes mijndistrict. “Kijk hier is het dan, surprise surprise, is het niet een cadeautje”?”

“Jahaaaa, strand! Kijk papa, mama, modderpoelen!!”

Uitgelaten holt Ech Leuk het zilte nat tegemoet. Wanneer ik zie dat Ech Nie geen aanstalten maakt haar te vergezellen, snel ik er lachend achter aan. “Mag ik stampen, papa?”

“Tuurlijk meissie!”

Rotsen en zee
Rotsen en “modderpoelen” kenmerken Trevaunance Cove

Treveanance Cove

Als Ech Nie zich bij ons heeft gevoegd meld ik haar dat deze idyllische plaats vroeger als de haven van het gebied functioneerde. “In eerste instantie voeren de boten gewoon het zand op, maar later leek het de Cornish toch handiger om een haven te bouwen.”

“…”

“Jammer genoeg ondervond men al snel dat het idee makkelijker geopperd dan uitgevoerd was. De in 1632, 1684 en 1699 aangelegde kades spoelden stuk voor stuk binnen korte tijd weg en de in 1710 gerealiseerde ankerplaats hield het ook maar twintig jaar vol. Pas in 1798 schiepen ze een haven die de getijden meer dan een eeuw wist te weerstaan (totdat ook hij verzwolgen werd).”

“…”

Vermoedelijk overmand door emoties krijgt Ech Nie geen woord meer over haar lippen. Dat het trieste relaas haar niettemin behoorlijk heeft geraakt zie ik aan een opwellende traan die ze haastig uit haar ooghoek veegt. Dat, of er is wat anders aan de hand. Voor ik de vinger echter op de zere plek heb gelegd, wendt ze haar hoofd van me af en maant Ech Leuk met overslaande stem niet al te diep de zee in te gaan.

“Wat is er mama?”, vraagt nu ook een ongeruste Ech Leuk. “Niks schat, mama heeft gewoon even een momentje…”

Bij eb schijnen de fundamenten van de oude haven nog zichtbaar te zijn, maar voor ons bleven ze verborgen

Overweldigend industrieel landschap

Het mijnlandschap van Cornwall en West-Devon is in één woord overweldigend, dat valt moeilijk te ontkennen, maar dat het Ech Nie zo naar de keel grijpt overvalt ook mij een beetje. Ik weet me geen raad en vraag me af of het misschien een combinatie van vervallen schoonheid, stoere industrie, woeste natuur en een altijd innemende echtgenote is die haar nu zo over haar toeren doet gaan? Dat moet haast wel, veronderstel ik, maar om het surplus aan sentiment niet de overhand te laten krijgen neem ik mijn geliefden (na Ech Leuk wederom een schoon pak te hebben gegeven) mee naar de pub. Een prachtig patrimonium als dit dient tenslotte wel gevierd te worden; dat lijkt me duidelijk.

Machinehuis op steile helling St Agnes mijndistrict
Wheal Coates, een van de meest iconische machinehuizen van het St. Agnes mijndistrict

Mr Alzheimer is wat ontschoten

Two pints please, and a applecider.”

“Nee Mr Alzheimer, een applejúice!”

“Oh ja, sorry.

“Kan gebeuren”, vindt Echt Leuk, maar Ech Nie is minder over de vergissing te spreken. Ze kijkt verbolgen voor zich uit en zegt geen woord. “Scheelt er iets?”

“Nee hoor, hoe kom je daar nou bij?”

“Nou je bent zo stil…”

“Ja vind je het gek? Ik had me deze dag wel wat anders voorgesteld…”

“Hoezo? Wilde je nog naar het Caradon Mining District dan? Of Portreath Harbour?”

“Nee ezel. Ik had gehoopt dat je deze dag eens niet geheel aan Unesco wijdde!”

“Niet?”

“Nee!”

“Maar waaraan dan?”

“Oh man, jij bent echt unbelievable hè. Weet je het nou ech nie?”

“Ehm…”

“Ik ben vandaag jarig!!”

“Shit!”

“Ech Wel!”


Ook wel eens de mijnen van Cornwall bezocht? Ondergronds gegaan of in de haven gelegen? Laat het ons weten in de reacties hieronder, we horen het graag!

Ruïnes van Wheal Coates, wheal is een oud Engels woord voor mijn

Praktische informatie

De mijnindustrie in Cornwall en West-Devon heeft overal in het landschap zijn sporen nagelaten. Tien gebieden verklaarde Unesco tot werelderfgoed. Dit zijn:

  • The Luxulyan Valley en Charlestown
  • St. Just Mining District
  • St. Agnes Mining District
  • The Port of Hayle
  • Tregonning and Gwinear Mining Districts inclusief Trewavas
  • Wendron Mining District
  • Camborne and Redruth Mining District inclusief Wheal Peevor en Portreath Harbour
  • Gwennap Mining District inclusief Devoran en Perran en Kennall Vale
  • Caradon Mining District
  • Tamar Valley Mining District inclusief Tavistock

Ooit werkte ongeveer 25% van de Cornische beroepsbevolking (jongens vanaf 12 jaar) in de mijnen, lag er een kleine 500 kilometer aan tunnels onder de grond (deels onder de zeebodem) en deden ruim 3000 machinehuizen hun eentonige werk. Aan het einde van de 20e eeuw kwam daaraan een einde. In 1998 sloot de laatste mijn.

Na het ter ziele gaan van de Cornische mijnindustrie (vanaf einde 19e eeuw) waaierden zijn werknemers uit over de hele wereld. Zij namen hun expertise mee en bouwden hun typische machinehuizen onder andere in Australië, Zuid-Afrika, Latijns Amerika en de Caraïben.

Er bestaat een netwerk van wegen (ERIH) die je langs de belangrijkste industriemonumenten van Europa voert. Net als de koper- en tinmijnen van Cornwall zijn ook diverse andere werelderfgoedlocaties aan dit routesysteem gelegen (waaronder: Ir. D. F. Woudagemaal, Kwikmijnen in Idrija, Mijnbekken van Nord-Pas de Calais, Rammelsberg in Goslar, en Zeche Zollverein)

Jaar van inschrijving: 2006
Officiële website: Cornishmining.org.uk


Lees ook:

Mijndorp Grand Hornu belicht bar bestaan Borinage
Zo blij met mijn fans in Wieliczka