Ze wilde nog 40 worden, m’n schoonzusje, maar dat haalde ze niet meer. Midden in de nacht van 4 april blies ze op 37-jarige leeftijd haar laatste adem uit. Kort voor overlijden hoorde ze haar zesjarige zoontje nog om zijn moeder roepen. Ze wilde opstaan om haar kind te troosten, maar helaas, ook dat ging niet meer. De kanker had zijn verwoestende werk reeds lang gedaan.

In memoriam…

Verwerken

De onheilstijding bereikte ons de volgende morgen. Onze dappere en toegewijde schoonzus is niet meer. We verwittigden werk, schrapten onze afspraken en snelden met droef gemoed naar woonplaats Breda. “Wil je haar zien?”, vroeg m’n broertje vlak na aankomst. “ze ligt boven…”

“Nou, even wachten nog.”

Met een lach en een traan sloegen we ons door die eerste dagen heen en regelden wat geregeld moest worden. Maar toen het weekend voor de deur stond, namen we even afstand. Ech Nie ging samen met vriendinnen naar een reeds lang van tevoren geboekt huisje in Port Zélande, ik trok in arren moede naar het mijnbekken van Nord-Pas de Calais.

In de Franse gemeente Lewarde bleef de plaatselijke mijn Delloye voortbestaan als museum

Rouw steenkoolbekken

Mijnen. Ech Nie moet er niks van hebben, Unesco wel. Dus toen ik alleen met m’n verdriet kwam te staan, dacht ik mijn zinnen het beste te kunnen verzetten door het industriële werelderfgoed van Noord-Frankrijk te gaan bezichtigen. Best triest misschien, maar zo was ik op dat moment.

Het steenkoolbekken van Nord-Pas de Calais strekt zich uit over een lengte van 120 kilometer, is 12 kilometer breed, maximaal 1,2 kilometer diep en beslaat ongeveer 1/12 deel van de regio. Bijna drie eeuwen lang stond het bekend om zijn ongebreidelde groei en gestage vraag naar arbeidskrachten, maar toen in 1990 de mijnbouw ten onder ging, verloederde het voormalige wingewest en sloeg de werkloosheid ongenadig hard toe. De schrijnende armoede waarmee de streek sindsdien te maken kreeg, was 27 jaar later nog steeds niet helemaal overwonnen.

Maar goed ook, vond ik, want dan liep ik met mijn bedrukte gezicht tenminste niet zo in de gaten…

De mijn sloot in 1971 maar staat er nog altijd bij alsof de productie gisteren is gestaakt. Zelfs de kloffies van de mineurs hangen nog in de kleedzaal…

Mijnwerkers leefden in ogenschijnlijke voorspoed

Vroeger was alles beter. Behalve dat de industriëlen toen nog iedereen aan het werk hielden was het grootkapitaal ook zo goed het proletariaat van degelijke huisvesting te voorzien. Daarnaast stelden ze gas en licht dikwijls kosteloos ter beschikking, betaalden ze ziektekosten en beloofden ze hun arbeiders een goed pensioen uit te keren. Natuurlijk moesten de kompels in ruil voor die privileges wel hard bikkelen in het onderaardse, maar dat leverde ze ook weer vrienden voor het leven op. (In de duistere krochten van Moeder Aarde waren de mannen op elkaar aangewezen en ontstonden er hechte banden onderling)

De sociale verbondenheid was zo groot dat men ook in de spaarzame vrije tijd met elkaar optrok. Men proostte gezamenlijk in de kroeg, vierde met z’n allen het feest van Sainte Barbara, (de patrones van de mijnwerkers) speelde gebroederlijk in hetzelfde muziekkorps en luisterde eensgezind naar de plaatselijke dominee.

De goede staat van de gebouwen, alsmede het representatieve karakter van de architectuur (kenmerkend voor het interbellum) waren reden om juist de Delloyemijn tot museum te transformeren

Schijn bedriegt

Maar wat zo mooi leek aan de buitenkant, kon van binnen helemaal mis zijn. Dat wist ik maar al te goed. Drie jaar voor de dood van mijn schoonzusje trouwde ik met Ech Nie. Een groot feest waarbij ook zij uiteraard van de partij was. Veel van onze genodigden hadden wel gehoord over haar ziekte, en dat ze nooit meer beter zou worden, maar slechts weinigen kenden haar van gezicht. Toen hen op verzoek werd aangewezen wie het nou eigenlijk betrof kon niemand geloven dat het die stralende brunette bij het water was. “Niiiieeetttt??!!! Zij?! Die knappe vrouw met dat wijntje in haar hand? En die ontwapenende lach?”

“Ja zij ja.”

Dat ze na de trouwerij dagen nodig had om weer een beetje op krachten te komen ontging hen natuurlijk, en de plekjes op haar longen zagen ze evenmin…

Schijn bedriegt, ondervonden ook de mijnwerkers. Hun betrekkelijke voorspoed was gelijk schoonzusjes’ zwart-witte feestjurk op de trouwerij, een masker die de bittere, alledaagse realiteit aan het oog onttrok. Van buiten was niet te zien dat een groot deel van de mannen aan silicose leed en dat hen een langzame, ellendige dood stond te wachten. Nog schrijnender was het feit dat zij de ziekte aan hun broodheer te danken hadden (de longaandiening werd veroorzaakt door het inademen van kolenstof) maar dat die daar geen enkele verantwoordelijkheid voor nam. Hij ontkende categorisch het verband tussen kwaal en arbeid en werd daarin ook nog eens gesteund door doctoren die het onophoudelijke gekuch als bronchitis beoordeelden; óók beroerd, maar niet zo ernstig dat het hen werkonbekwaam maakte.

Medische zorg om niet had zo zijn keerzijde, zullen we maar zeggen.

Een nagebouwde mijnschacht geeft een idee hoe het werken ondergronds moet zijn geweest

Leven tussen hoop en vrees

Doktoren, ja daar had ze er veel van gezien. Toen ze uitbehandeld was in de Daniel den Hoed, en het vertrouwen in die lui op, kon ze door naar een specialist in Nijmegen. Dat had haar vader, zelf huisarts, voor elkaar gekregen. Het bood weer hoop in een tijd dat alles uitzichtloos leek. Er werd toen ook vastgesteld dat ze een ander type kanker had dan al die tijd was verondersteld, dat het een hele zeldzame vorm was en dat ze misschien met andere, nieuwe therapieën behandeld kon worden. Natuurlijk was dat laatste ook weer niet zeker, en wilden ze niet te hoge verwachtingen scheppen, maar aan het eind van een donkere tunnel scheen toch weer een licht toekomstperspectief.

Leven tussen hoop en vrees was ook de mijnwerkers niet vreemd. In het verschiet lagen sluipmoordenaar silicose en andere lichamelijke gebreken (reuma, hardhorendheid en rugklachten waren nagenoeg onontkoombaar) en het heden had plotselinge overstromingen, instortingen en explosies voor ze in petto. Er ging dan ook geen dag voorbij of er werd niet zonder pijn in de buik naar beneden afgedaald.

Ondanks waarschuwingen vooraf besliste men op de burelen van de mijndirectie dat er doorgewerkt moest worden

Courrières catastrafe

In de dagen voorafgaand aan 10-03-1906 lukte het maar niet een ondergrondse brand te verstikken. Experts adviseerden het werk stil te leggen zolang de situatie niet onder controle was, maar de mijndirectie had geen boodschap aan die wijze raad en liet zijn personeel desondanks kolen in de diepte houwen. De eigenwijze houding bleek al snel een noodlottige beslissing; rond 6.30 uur veroorzaakte een enorme stofexplosie een vuurbal die met 3000 kilometer per uur door de gangen raasde en 1099 van de 1800 aanwezige arbeiders aan stukken reet, levend verbrandde of onder neerkomend puin verpletterde.

Twee dagen en nachten na de ramp vond de bedrijfsleiding het welletjes. Op bevel van de hoofdingenieur werden de mijnschachten dichtgemetseld en stopte het toevoeren van lucht. Resterende lagen steenkool moesten namelijk worden beschermd tegen het beneden brandende vuur en dat vonden de heren blijkbaar belangrijker dan het redden van eventuele overlevenden (volgens hun inschatting konden die er toch nauwelijks zijn en waren ze als gevolg van de ingestorte galerijen sowieso onbereikbaar).

Ongelukken bleven plaatsvinden, ook na de Tweede Wereldoorlog. In 1974 vielen 42 doden bij een explosie in Fosse (schacht) 3 van St. Amé. Alleen het stalen frame dat ooit boven de mijn stond herinnert aan die tragedie

Van kwaad naar erger

In het begin beseften we nauwelijks wat ons overkwam. Schoonzus zag er goed uit, behield haar haar, lag niet in bed en kon nog veel. Maar gaandeweg bemerkten we haar teruglopende energie, zagen we de huiduitslag en hoorden van haar darmstoornissen. Heel vervelend, vonden wij, maar ach, daar viel ook nog wel mee te leven. Het werd voor ons pas echt serieus toen we op bezoek gingen in het Nijmeegse Radbout. Ze was inmiddels in een volgende fase beland en chirurgen waren druk bezig vocht achter haar longen te verwijderen. Een zware operatie, hadden we gehoord, maar omdat ze het al die tijd zó goed had gedaan verontrustte het ons weinig. Die ongepaste zorgeloosheid verdween voorgoed toen we haar in d’r ziekenhuisbed zagen liggen. Whooo, hier lag iemand die écht doodziek was!

Waarschijnlijk zag ze onze schrik want ze begon ons gelijk gerust te stellen. Het zag er misschien rot uit, met dat infuus en zo, maar dat viel eigenlijk best mee. Kijk maar, demonstreerde ze, ze kon al uit bed (Jezus, wat was ze mager!) en stukjes lopen. Het kwam best goed. En als ze thuis kwam zou ze trouwens weer gaan yogaën, dat hielp haar er vast wel weer bovenop. Heus, we hoefden ons nergens zorgen om te maken. Ze ging nog wel even mee. En met de jongens ging het ook goed, echt, ze gingen al naar zwemles en ze voetbalden graag. Aan een stuk ratelde ze door, en wij knikten en beaamden het. Hier en daar maakten we een onhandig geintje (Die gasten zijn toch wel voor Feyenoord hè?) Maar ondertussen bekroop ons een buitengewoon naar gevoel van onbehagen. Dit ging helemaal niet goed! Bij het afscheid hielden we ons nog kranig maar zodra we buiten waren barstten we beiden in janken uit.

Steenkool bestaat uit organisch materiaal dat miljoenen jaren onder hoge druk heeft gestaan. Soms zijn op “het zwarte goud” nog de fossiele afdrukken van de oorspronkelijke planten te zien

Proletariërs verenigt u!

Mijnwerkers zijn we, bergman geboren
ons lacht geen vriendelijk zonnetje toe.
Zwaar is de arbeid, duf is de dampkring,
mat in het hoofd en de hand dikwijls moe.

Maar als de sirene blaast,
maakt de stoere bergman haast.
Rustig daalt hij in de nacht,
waar wellicht de dood hem wacht.

Kameraden, kameraden,
slaven zijt gij van ’t moderne kapitaal.
Voegt u samen, voegt u samen,
toont uw moed, toont een wil van staal.

Delloye is een van vier steenkoolmijnen die behouden bleef. De anderen bevinden zich in Arenberg, (Wallers) Loos-en-Gohelle (Base 11/19) en Oignies

Woede en onmacht strijden om voorrang

De handelswijze van de mijnbazen ontketende de toorn van de gewone man. Reeds bij de begrafenis van de ongelukkigen kwam het tot opstootjes en moest de directie op de vlucht voor woedende nabestaanden. In de dagen daarna braken overal wilde stakingen uit. Pogingen van de gendarmerie om de geest weer in de fles te krijgen mislukten. Sterker nog, toen twintig dagen na de ramp dertien arbeiders op eigen kracht hun weg naar het oppervlak vonden, (en daarmee het ongelijk van de top bewezen) steeg de furie naar het kookpunt.

Niet langer zag men de catastrofe als een natuurramp die hen was overkomen, maar duidde men het drama als een misdaad, of liever 1099 misdaden, gepleegd door degenen die de rijkdom en de macht bezaten. Op diverse plaatsen kwam het tot heftige straatgevechten. Huizen van werkgevers gingen in vlammen op en bruggen, spoorlijnen en telegraaflijnen werden opgeblazen. Op een gegeven moment moest zelfs het leger er aan te pas komen om de zich tot een opstand ontwikkelende onrust de kop in te drukken.

MIjnlamp, helm en pikhouweel waren de wapens waar de helden van de ondergrondse mee vochten…

Komt een vrouw bij de dokter

Het gevoel van onrecht leefde bij ons allemaal. Waarom nou zij? Waarom werd nou uitgerekend zij ziek? Ze was nog in de bloei van haar leven toen de eerste verschijnselen zich openbaarden. Gedoe na de bevalling van de tweeling deed haar naar de dokter gaan. We dachten er in het begin niet veel van, het kon van alles zijn. Maar net toen ze zich druk moest gaan maken over poepluiers, ongelukjes en kinderpartijtjes, zoals gezonde jonge moeders doen, startte ze met onderzoeken, wachten op uitslagen en de stress dat het weleens helemaal mis kon zijn.

Na een bange periode leek het toch met een sisser af te lopen. Er zat een ieniemienie plekje op haar long, maar dat kon net zo goed van een verkoudheid zijn, en rond haar nieren, waar ze een gezwel hadden weggehaald, werd ze schoon verklaard. Er was daar alleen nog wat op een snijrand waargenomen, maar dat was waarschijnlijk onschuldig want op de scan zagen ze niets. Tijd voor bubbels, leek het, maar wij durfden de fles niet te ontkurken. “Hoezo we hebben iets waargenomen, maar omdat we het niet zien, zal het wel niks zijn?”

Leeuwen (symbolen van kracht) steunen het werk van de mijnwerkers. In het pand werd ook de vakbondskrant gedrukt

Na de revolutie werd het oorlog in het mijnbekken

De mijnramp was de grootste in de Europese geschiedenis en zou de boeken ingaan als de Courrières catastrofe, genoemd naar de plaats waar het hoofdkantoor van het betrokken mijnbouwbedrijf gevestigd was. Uit het oproer zou zich uiteindelijk een machtige vakbond (Zelf spraken de Fransen van Syndicale) ontwikkelen die de werkgevers met name op het gebied van veiligheid tot allerhande maatregelen dwong. In Lens stichtten zij hun hoofdkwartier, een klassiek vormgegeven gebouw, met op de gevel een bas-reliëf die verwees naar de heroïsche strijd die de mijnwerker dagelijks met de steenkoolwand uitvocht.

Lang bleef het zogenaamde Maison Syndicale niet staan. Net zoals vele andere steenkoolmijnen en aanverwante gebouwen zou ook zij door krijgsverrichtingen in de Groote Oorlog volkomen in de as worden gelegd. De onnoemlijk grote materiële schade viel echter in het niet bij de menselijke tol die de kanonnen in deze streek zouden eisen. Niet minder dan 580.000 soldaten verloren op het grondgebied van Nord-Pas de Calais hun leven. Nog altijd worden zij geëerd op de vele militaire begraafplaatsen en herdenkingsmonumenten die de provincie rijk is (en waarvan het Memorial 14-18 van Notre-Dame-de-Lorette waarschijnlijk de indrukwekkendste is).

Eerbetoon aan hen die vielen in de periode 1914-1918 en werkzaam waren in de mijnen van Lens

Strijden tot het bittere einde?

Ons bange voorgevoel werd niet veel later bewaarheid, de kanker kwam terug. En dit keer kwaadaardiger dan ooit. “De stoute cellen zijn er weer”, had ze haar kinderen verteld, maar wat daar de gevolgen van waren had ze nog maar even voor zich gehouden. De grote mensen kregen het hele verhaal echter wel te horen. Ze was terminaal. Over het aantal jaren dat ze nog had, wilden de doktoren zich niet uitspreken, maar dat ze haar mennekes niet meer volwassen zou zien worden was al wel duidelijk.

Een lang en oneerlijk gevecht volgde, een die ze niet kon winnen. Maar schoonzus zou schoonzus niet zijn als ze er niet toch alles aan deed om het ongelijk van de artsen te bewijzen. En misschien hield ze het ook wel zolang vol dat nieuwe behandelmethoden haar alsnog zouden redden? Helaas bleek het hopen tegen beter weten in.

Na jaren van wanhoop en frustratie kwam daar het moment dat ze zich moest afvragen; Hoe lang knok je door? Hoe groot is de kwaliteit van leven nog? Wanneer durf ik te zeggen; het gaat niet meer? “Ben je niet doodsbang?”, vroeg ik haar eens. Het moet een paar maanden voor haar dood zijn geweest. Nee, die emotie lag achter haar. Er was haar onlangs een vriendin ontvallen, vertelde ze, zelfmoord. “Om me heen was veel onbegrip voor haar (wanhoops)daad, maar ik dacht alleen maar; wat dapper…”

Stoere mijnwerker met ontbloot bovenlijf houdt de wacht bij het prestigieuze kolenkasteel (Grands Bureaux de Société des Mines de Lens)

Opkrabbelen en ten onder gaan

Na de Eerste Wereldoorlog herrezen de mijnen. Steenkool vormde de brandstof waarop de Franse economie herstelde, Art Deco was de stijl waarin de wederopbouw plaatsvond. Lens werd daarbij de hoofdstad van het steenkoolbekken. Voor de spoorwegen liet het een station neerzetten waarin muurmozaïeken een ode aan de mijnwerkerswereld brachten en de kantoren van de Societé des Mines schonk het een waar kasteel voor de industrie. Het Maison Syndicale deed niet mee met alle verhipping, de vakbond koos ervoor het gebouw getrouw het origineel te reconstrueren.

Na de Tweede Wereldoorlog droeg steenkool wederom een belangrijk steentje bij aan het restaureren van de welvaartstaat. Lang duurde het echter niet voordat men doorkreeg dat de industrie geen lang leven meer beschoren was. De goedkope winning elders en de vondst van aardgas maakten de exploitatie niet langer rendabel. Tegenwoordig markeren de terrils (steenbergen bestaande uit mijnafval) het graf van de eens zo welvarende bedrijfstak.

Achter de typische arbeidershuisjes liggen Europa’s hoogste mijnbergen (terrils van ruim 180 meter)

Een laatste vaarwel

Als het onvermijdelijke nadert zal je toch moeten gaan bedenken over hoe je dat vorm wilt gaan geven. Dat hoefde je mijn schoonzus niet te vertellen. Ze wilde een natuurlijke rustplaats, een graf waarop geen steen zou staan maar een gegraveerde boomschijf. Voor de rest, zo vertrouwde ze me kort voor haar geplande euthanasie toe (haar natuurlijke dood hadden we eigenlijk willen voorkomen) had het veel weg van de voorbereidingen op een bruiloft; je ontwerpt een kaart, verzint een tekst, kiest muziek uit, zoekt een plaats voor de ceremonie, een auto, een kist, alleen over een jurk hoef je niet na te denken….

En toen moesten we definitief vaarwel zeggen. Heel onwerkelijk. Wat bespreek je met iemand wiens dagen geteld zijn? Letterlijk. Gelukkig was ze tijdens ons bezoek redelijk bij, (wat door alle pijn en medicatie allang niet meer vanzelfsprekend was) en konden we nog heel wat mooie woorden wisselen. Nog even twijfelde ik of dit niet allemaal te vroeg in gang werd gezet, maar nee, dat was niet zo. Ze had niks meer, kon niks meer, ze was nog maar een schim van wat ze ooit was geweest. Het was goed zo.

“Heel bijzonder”, zei haar vader toen we de kamer verlieten, “dat jullie nog zolang met haar hebben kunnen praten. Ze is in tijden niet meer zo goed geweest.” We sloegen onze ogen neer. “Sterkte”, konden we nog net uitbrengen. Daarna werden wij getroost, in plaats van andersom.

Base 11/19 in Loos-en-Gohelle. De cijfers verwijzen naar de nummers van de oude mijnputten

Moed

Le Base 11/19 was de laatste mijn die ik aandeed op mijn tour de Nord-Pas de Calais. Daarna was ik klaar met alle zwartgalligheid en poogde ik wat positiviteit uit een drankje te destilleren. Met de eerste pint slaagde ik daar nog niet in. Toen ik me op een simpel terras achter een kelk Grimbergen zette, en in de verte twee gigantische molshopen ontwaarde, moest ik denken aan die burgemeester die bij het uitreiken van de Unesco-erkenning verklaarde: Hier zijn de landschappen niet gemaakt van roze graniet, heldere zeeën of toppen met eeuwige sneeuw. In dit land heeft de mens bergen gegraven, gewonnen en gebouwd. En alleen al het idee dat de geschiedenis van mijnwerkers net zo goed is als die van koningen verandert alles. Het is een menselijk verhaal gestoeld op waarden als moed, eenvoud en solidariteit.

Moed, daar ontbrak het haar niet aan. Dus ik vond van mezelf dat ik die ook op haar sterfdag moest tonen, dat was ik haar wel verschuldigd. De lafaard in mij vermeed echter bij voorkeur stoffelijke resten dus daarom stelde ik een bezoek aan de hare nog even uit. Liever dronk ik mezelf eerst wat moed in bij de buren, die hun tuin ter beschikking hadden gesteld, en waarin het, ondanks alle rampspoed, toch al gauw “gezellig” werd. En ook weer niet. Na enige uren begaven we ons evenwel naar haar sterfbed, ik samen met een van haar beste vrienden. Het was een kleine wandeling die we moesten gaan, maar het werd er een die ik nooit zou vergeten. Met name de trap omhoog, naar de kamer waarin ze lag, ervoer ik als de meest bizarre (op)gang die ik ooit had gemaakt.

Het mijncomplex stamt uit 1894, werd in WO1 volledig verwoest en daarna weer opgebouwd. De betonnen schachttoren werd in 1960 opgetrokken en is 66 meter hoog

Vluchten in alcohol

Niet zelden zocht de gekwelde mijnwerker van weleer verlichting in het glas, en ik, die nooit een man van cake en koffie was, kon hem wel begrijpen. Een mens moest zijn plezier toch ergens vandaan halen? Of ik me zelf ook in deze barre omstandigheden weer opgewekt kon drinken, zou ik ervaren zodra mijn volgende gerstenat arriveerde. Mijn hoop was de nare smaak in mijn mond snel weg te spoelen, maar toen het goudgele vocht niet rap genoeg aan mijn verwachtingen voldeed liet ik de waard er ook maar een klein borreltje naast zetten. Misschien zou dat de zaak bespoedigen.

Uren had ik nog zo in mineur kunnen doorbrengen, ware het niet dat een lieveheersbeestje toen in mijn nabijheid landde. Het kevertje was de afgelopen week symbool komen te staan voor mijn schoonzusjes’ reïncarnatie (soort van), en daarom fronste ik even mijn wenkbrauwen. Wat moest zij nou hier? Had ze me wat te vertellen?

Laten we proosten. Op het leven. Laat het leven je omarmen. Sla je armen om de liefste. Want de liefste, dat ben jij

Lieveheersbeestje

Al sinds mensenheugenis wordt het insect gezien als een brenger van geluk en voorspoed en ik nam me voor de komst van dit kapoentje ook zo te interpreteren. Plots, als door een wonder, doorbrak het voorjaarszonnetje de donkere wolk boven mij en zag ik, in het schijnsel van de ster, dat het helemaal niet zo somber gesteld was met het voormalige steenkoolbekken. Integendeel; het werelderfgoed groeide en bloeide. Niet alleen door de beschermde status die Unesco de oude mijnen en necropolissen had geschonken, maar ook door de warmte die de sintelbergen afgaven. Zij maakten de aanwas van uitheemse plantensoorten mogelijk en vergrootten zo de lokale biodiversiteit. Er was zelfs een terril die was omgetoverd tot wijnberg, een waarvan de witte wijn Charbonnay (een woordgrapje verwijzend naar de Chardonnay-druif en het Franse woord voor steenkool; charbon) gemaakt werd en waarin liefhebbers een hoop mineralen proefden.

Eindelijk kwam de lente in beeld…

Proost

De frisse kijk op mijn omgeving deed me glimlachen. Ik voelde de lente weer, ontwaarde de feniks op mijn glas Grimbergen, aanschouwde de veerkracht van de natuur en begreep dat in dit alles een diepere betekenis school; net als alles om mij heen konden ook wij ons oprichten uit het diepe dal en de toekomst met vreugde tegemoet zien. Natuurlijk zou dat nog wel wat tijd kosten, zeker in het geval van haar ouders, broers, man en kinderen, maar uiteindelijk zou bij iedereen het licht weer doorbreken. Daarvan was ik overtuigd.

Blij met het nieuwe inzicht verzocht ik de waard, in mijn beste Steenkolenfrans, om een volgende pils. Een halve liter dit keer. Niet om mijn verdriet te verdrinken, maar om te proosten op het leven! Ech Wel!


Ook wel eens het mijnbekken van Nord-Pas de Calais bezocht, een ziekte onder de leden of iemand jammerlijk verloren? Laat het ons weten in de reacties hieronder, we horen het graag!

Praktische informatie

Het werelderfgoed bestaat uit liefst 109 verschillende componenten. Hieronder vallen: mijnbouwputten (de oudste uit 1850), liftbokken, sintelbergen, kolenvervoerinfrastructuur, treinstations, arbeidersverblijven en mijnbouwdorpen (cités) met scholen, religieuze gebouwen, ziekenhuizen en gemeenschappelijke voorzieningen. Zij getuigen van een lange geschiedenis aan steenkoolwinning (de eerste mijnonderneming kwam in in 1720 tot stand) waarin op het hoogtepunt ruim 200.000 mensen werkzaam waren. In totaal werd ongeveer 2 miljard ton naar het oppervlakte gehaald.

Ik concentreerde me op:

En diverse locaties in en rondom Lens

  • Treinstation (Place du Général de Gaulle, 62300 Lens, Frankrijk)
  • Maison Syndicale, gebouw van de mijnwerkersvakbond (Rue Florent Evrard, 62300 Lens)
  • Les Grand Bureaux de la Société des Mines de Lens, hoofdkantoor mijnbedrijf (Avenue Elie Reumaux, 62300 Lens)
  • Oorlogsmonument 1914-1918 (L’avenue de la Fosse 12, Lens)
  • Base 11/19 mijncomplex (Rue de Bourgogne, 62750 Loos-en-Gohelle)
  • Terrils Jumeaux (tweelingmijnberg naast Base 11/19)
  • Schachtbok van mijn Saint Amé (Rue Montgolfier, 62800 Liévin)

Doorheen het patrimonium wemelt het van de monumenten die de gevallenen van de Eerste Wereldoorlog memoreren (onderdeel van een separaat werelderfgoed) De meest indrukwekkende zijn:

Er bestaat een netwerk van wegen (ERIH) die je langs de belangrijkste industriemonumenten van Europa voert. Net als diverse andere werelderfgoedlocaties (waaronder: Ir. D. F. WoudagemaalKwikmijnen in Idrija en de Rammelsbergmijn in Goslar) liggen ook het mijncomplex van Delloye en Arensberg aan dit routesysteem.

Lees ook:

Mijndorp Grand Hornu belicht bar bestaan Borinage
De verlaten koper- en tinmijnen van Cornwall zijn van een onvergetelijke schoonheid