“Eh, en waar is nou precies dat werelderfgoed?”, wil Ech Nie weten. “Nou hier dus”, zeg ik met een weids gebaar richting Bodensee wijzend. “Waar dus? Bedoel je het meer?”

“Nee, niet het meer. Of, althans, niet het hele meer, een stukje minder.”

“Een stukje minder meer?”

“Ja min of meer.”

Geërgerd kijkt Ech Nie me aan; “Ech Wel, kan je misschien ook op een normale maier vertellen waarom we hier pèr sé naartoe moesten?”

“Omdat dit stukje meer op de werelderfgoedlijst staat natuurlijk, Alleen gaat het niet zozeer om het meer, maar meer om wat eronder zit. Onder de oppervlakte dus.”

“Bedoel je dat het werelderfgoed onder water ligt?”

Ik knik bevestigend. “Zonder meer.”

Overal in de Bodensee liggen ze, de paalwoningnederzettingen, zoals hier, alleen zijn ze nergens te zien

Neolithische revolutie

Verspreid over een zestal Alpenlanden liggen honderdelf archeologische sites die Unesco in 2011 als werelderfgoed erkende. Ze vormen de restanten van prehistorische paalwoningnederzettingen die tussen 5000 en 500 voor Christus gebouwd werden. Dankzij hun uitzonderlijke goede conservering hebben zij onderzoekers in staat gesteld het reilen en zeilen van de neolithische mens te ontrafelen. “Maar wat hebbie nou aan een patrimonium wat onzichtbaar is?”, merkt vrouwlief minzaam op. “Hoezo?”, antwoord ik haar met een wedervraag. “Alsof een monument geen bijzondere en universele waarde kan vertegenwoordigen als het zich buiten ons blikveld bevindt? Dat is wel heel kortzichtig, Ech Nie!”

“Ja maar het gaat hier toch niet om Atlantis?”, verdedigt ze zichzelf, “ik begreep van jou dat het slechts een paar verrotte palen betrof. Zo bijzonder lijkt me dat nou ook weer niet!”

“Oh nee? Dit verzonken werelderfgoed heeft onze kennis omtrent de neolithische revolutie anders danig opgekrikt hoor!”

“De neolithische revolutie?”

“Ja, de belangrijkste periode uit de menselijke geschiedenis dus.”

De eerste boeren waren afkomstig uit het Midden-Oosten en introduceerden met hun paalwoningen een geheel nieuwe levenswijzen in de Alpenlanden

Van jager-verzamelaar naar boer

De neolithische revolutie markeert het punt waarop de levensstijl van de mens overging van jager-verzamelaar naar boer. Toen de primitieven tot het inzicht kwamen dat het bedrijven van landbouw en veeteelt veel efficiënter was dan het continu achtervolgen van grote kuddes wild over lange afstanden, begonnen ze planten en dieren te domesticeren. Tijdens deze omwenteling, die duizenden jaren duurde, ontwikkelden zij stenen werktuigen die hun arbeid verlichtten en bouwden ze nederzettingen waarin ze zich permanent vestigden. Naar verloop van tijd leerden ze door arbeidsverdeling en specialisatie bovendien hoe ze overschotten konden produceren en voedsel in aardewerk konden opslaan (zodat men in toekomstige, barre tijden niet op een houtje hoefde te bijten…)

De nieuwkomers waren zo verzot op palen dat zelfs hun bedstee erop stond

Werelderfgoedqueeste op de tocht

“Dus als ik het goed begrijp ruilde de neolithische mens zijn drukke rondreizende leventje in voor een rustig bestaan op het platteland?”

“Hij verwerd van nomade tot een op één plaats verblijvend wezen ja.”

“En daarna kwam de mens tot grote bloei?”

“Zeker, de bevolking explodeerde, kennis groeide, kunst deed zijn intrede en culturen ontstonden….”

“Precies ja. Dus alles werd beter nadat de mens besloot niet langer rond te trekken, dat is wat je zegt toch?”

“Eh, ja…. Probeer je me iets duidelijk te maken, Ech Nie?”

“Nou misschien moeten wij een voorbeeld aan die antieke agrariërs nemen. Ik denk namelijk dat het ook voor óns beter zou zijn als we een keer stopten met het najagen van werelderfgoed en het verzamelen van Unesco-sites. Genoeg is genoeg.”

“Wat?!!”

“Ja, als men zich in de prehistorie al realiseerde dat je thuis toch het beste af bent, wat zouden wij dan onze tijd verdoen met het voltooien van een werelderfgoedqueeste? Lekker knus op de bank is toch ook goed?”

De muren vlochten zij van wilgentakken en smeerden ze dicht met leem of mest, het dak bestond uit riet of schors

Waarheen leidt de weg?

Het is enkele maanden na de geboorte van Ech Leuk en Ech Nie heeft duidelijk haar hormonen nog niet op orde, denk ik, als ik vol ongeloof haar voorstel aanhoor. Sinds die kleine ons leven heeft verrijkt stelt mijn levensgezellin ineens andere prioriteiten; in plaats van dat ze als een toegewijde Unesco-discipel zingeving geeft aan haar bestaan zit ze zich nu ineens te bekommeren om de opvoeding van een kind .

Het zijn gewoon de naweeën van een bevalling, wordt mij verteld, bij sommige vrouwen duurt het nou eenmaal wat langer voordat ze de nieuwe situatie kunnen accepteren en weer in staat zijn hun oude, vertrouwde leventje oppakken. Tot die tijd is het voor partners even geduld hebben. Omdat ik mijn missie ook niet koste van alles wil doordrijven, leg ik de hele queestie voor aan Ech Leuk; zij is het nieuwste lid van ons erfgoedteam en mag beslissen of we doorgaan op de ingeslagen weg, of dat we terugkeren.

Ech Leuk zet de koers uit, en Ech Nie volgt gedwee…

We zullen doorgaan!

“Luister es lieverd, papa en mama hebben even een dingetje. Mama gaat liever thuis zitten kniezen terwijl papa liever de bloemetje buiten zet. Omdat de meeste stemmen gelden mag jij de doorslag geven.”

“Heel goed hoe je dat voor haar samenvat, Ech Wel. Echt totaal niet bevooroordeeld…”

“Ja ze is pas 10 maanden oud hè. Dan moet ik het wel in begrijpelijke taal overbrengen, of niet meissie?”

Daar Ech Leuk me slechts met grote ogen aankijkt simplificeer ik mijn vraagstelling (en stop haar stiekem wat lekkers toe): “wordt het meer of minder?”

“Meer, meer, meer!”, kirt ze blij.

En daarmee was het pleit beslecht.

Het platform functioneerde niet alleen als zonneterras, het was ook de plek waar men visnetten binnenhaalde, voedsel bereidde en een onderonsje met de buren had

Na enkele millennia hebben paalwoningen geen geheim meer

Meer meer dus. “Kom op meiden, op naar het Phahlbau Museum in Unteruhldingen. Daar kunnen jullie zien hoe zo’n paaldorp er destijds boven water uitzag.”

Wanneer we over de houten vlonders stiefelen vertel ik de dames waar de ontdekking van deze neolithische verblijfplaatsen allemaal toe geleid heeft. “In 1854 doken ze voor het eerst op, de paalwoningen. Door een extreem laag waterpeil in enkele Zwitserse bergmeren zag men plots het leven van onze vroege voorouders aan de oppervlakte verschijnen. Oude houten palen ontwaarde men in de modder, dicht bij elkaar, in kleine groepjes, met daartussen allerlei hartstikke interessante artefacten; het soort objecten dat normaal gesproken nooit werd aangetroffen…”

“Potscherven en pijlpunten?”, informeert Ech Nie cynisch. “Nou die lagen er natuurlijk ook, en ook zíj droegen hun steentje bij aan het hele neolithische verhaal, zeker omdat archeologen ze doorheen de geschiedenis steeds sierlijker en vernuftiger zagen worden, maar het waren dit keer de van organisch materiaal vervaardigde vondsten die de show stalen. Zo haalde men onder meer visnetten, voedselresten en complete kano’s onder het drek vandaan.”

Voor nederzettingen direct op of aan het water was de kano onontbeerlijk, rond de Alpenmeren zijn diverse uitgeholde boomstammen gevonden die soms wel 6 meter lang waren

Organisch materiaal onthult dagelijks leven oerboer

In eerste instantie vindt Ech Nie dat weinig sensationeel, maar als ik even inzoom op deze ongeëvenaarde schat begint het bij haar te dagen. “Organisch materiaal heeft de onhebbelijke gewoonte binnen een paar jaar te vergaan, dat weet je toch wel? Zeker na enkele decennia is er vaak niks meer van over. En hoewel de neolithische mens in de Steentijd leefde, bouwden ze hun huizen van hout; daarom verwachtte men niet ooit nog een van hun woningen terug te vinden, laat staan een heel dorp, en al helemaal geen honderden verschillende nederzettingen vol gebruiksvoorwerpen!”

“Je kan het blijven ophemelen Ech Wel, maar als je eerlijk bent zal je toch ook moeten toegeven dat dit werelderfgoed niet veel voorstelt? Toen de boeren hier de boel op stelten zetten, bouwden ze in Egypte al piramides.”

“Nou die kwamen pas 1000 jaar later tot stand hoor, maar goed, wat blijkbaar niet tot jou wil doordringen is het feit dat al deze gevonden voorwerpen geleerden in staat stelden de evolutie van de mens in kaart te brengen. Door middel van archeobotanie, archeozoölogie, archeometallurgie en dendrochronologie wisten ze te achterhalen hoe de vroege mens langzaam maar zeker het milieu naar zijn hand zette.”

Van het begin af aan speelde de archeologie een baanbrekende rol in het onderzoek naar de paalwoningen

Archeologie ontwikkelt zich tot serieuze wetenschap

Ech Nie leek heel even het belang van de site in te zien, maar raakte me alweer kwijt bij mijn laatste opsomming. Om die reden leg ik uit: “De prehistorie kenmerkt zich door het ontbreken van schriftelijke bronnen, dus toen men iets over deze periode te weten wilde komen was men aangewezen op archeologisch onderzoek. Nou wilde het geval dat deze wetenschap halverwege de 19e eeuw, dus rond de tijd dat de eerste stompen hout aan het licht kwamen, zich professionaliseerde. Eindelijk begonnen oudheidkundigen in te zien dat het met grof geweld op zoek gaan naar in de bodem begraven zaken (denk aan Karel III die Pompeï met behulp van explosieven liet ontgronden) misschien toch niet zo heel handig was; wellicht waren kwast en schepje zelfs wel een beter ontginningsmiddel.”

“Ja duh…”

“Al doende leert men, zullen we maar zeggen. En dat geldt zeker archeologen, want waar ze eerst al het onbekende toewezen aan de Klassieken, begon het nu te dagen dat er nog veel oudere volken op deze aardbol hadden rondgelopen. En dat kwam dus onder andere doordat ze tal van subdisciplines tot ontplooiing brachten.”

Tussen de resten van de paalwoningen zijn vele haken en harpoenen gevonden, maar met zulke uitgebreide visgronden voor de deur vormde dat geen grote verrassing. Afgaande op aantallen visbotjes vielen snoek en baars het meest in de smaak

Wat stond er bij de neolithische mens op het menu?

Om het scepticisme van Ech Nie wat weg te nemen zie ik mezelf verplicht het werk van deze verschillende specialisten enigszins toe te lichten. “Dankzij de bezigheden van de archeobotanisch specialist weten we bijvoorbeeld hoe de menukaart van de prehistorische mens er uitzag. Dat was op zich niet zo moeilijk want uit de bagger werd een prehistorisch platbrood opgedregd. Maar uit analyse van oude plantenresten bleek tevens dat de wilden verschillende soorten fruit, noten en bessen bij elkaar scharrelden en dat ze bekend waren met eetbare wortelen en paddenstoelen. Bovendien zouden vogeleieren en bijenhoning veel gewilde delicatessen zijn geweest.”

“Je lult weer uit je nek, Ech Wel. Ik heb op de land- en tuinbouwschool gezeten weet je nog?

“Ja en?”

“En daar heb ik onder andere geleerd dat eieren en honing geen botanische producten zijn…”

“Nee, dat klopt. Maar tijdens het graven deed de botanist af en toe een beroep op zijn archeozoölogische collega. Dat was net zo’n slimme rakker als hijzelf, alleen dan op het gebied van dierlijke resten. Het vlees van geit, schaap, varken en rund aten ze namelijk ook. Daarnaast werd het met zijn hulp duidelijk dat prehistorische populaties het water eveneens als een belangrijke bron van voedsel gebruikten. Schubben, graten en allerhande visgerei leverden daarvoor het overtuigende bewijs.”

Karren kon men ook al. In de omgeving van de Alpen zijn enkele van de oudst bekende houten wielen ter wereld gevonden, soms nog compleet met bijbehorende as

Hiërarchie in het Neolithicum

Wereldschokkend vindt Ech Nie het nog steeds niet. “Okee, dus dan weten we dankzij die professoren wat er allemaal door de neolithische maag ging; leuk hoor, maar voor de rest ook niet erg opzienbarend…”

“Nou we weten nog wel meer dan dat. Want dankzij de plantaardige- en dierlijke resten die uit de paalwoningnederzettingen zijn opgevist hebben ze zowat de hele neolithische cultuur kunnen reconstrueren, dat probeer ik je nou al de hele tijd aan je verstand te brengen. Zo ontdekten we dus sociale verschillen tussen de bewoners aan de hand van de verschillende vindplaatsen binnen het dorp; mensen aan de rand van het meer aten bijvoorbeeld meer vis, terwijl diegenen aan de landzijde significant meer biefstuk op hun bord legden. Blijkbaar was er ook in vroeger tijden dus al sprake van een soort van elite, lieden die zich meer konden veroorloven dan de ander.”

Het interieur van een prehistorische paalwoning oogde zoals verwacht, al keken we wel wat raar op van de neolithische Playboy op het bed

Creatief met flora en fauna

“Maar flora en fauna werden natuurlijk niet alleen ingezet om de innerlijke mens tevreden te stellen; zij dienden ook als grondstof voor zo’n beetje elk gebruiksartikel wat de oerboer hanteerde. Matten en manden vlochten ze van twijgen en tenen, vezels en wol transformeerden ze tot touw en textiel en pijn en ziekten bestreden ze met werkzame stoffen uit medicinale planten.”

“Oh?”

“En met dierlijke resten wisten ze uiteraard ook wel raad. Van botten, hoorn en gewei konden naalden, bekers en beitels worden gemaakt, huid en leer waren goed voor tas en jas en pezen bleken uitermate geschikt om de boog mee te spannen.”

Technische hoogstandjes demonstreerden dat de eerste boeren ook kundige timmerlieden waren

Archeologen ontleden geschiedenis tot op het bot

“Eigenlijk gaf de natuur alles wat de neolithische mens nodig had?”

“Nou nog wel meer dan dat, niet elk gewas had een direct nut voor ze, en niet elk beest bleek te temmen, maar in het grote geheel der dingen vormden ze voor de expert toch essentiële informatiedragers. De aanwezigheid van bepaalde planten zei kenners bijvoorbeeld iets over de vruchtbaarheid van hun akkers, over de kwaliteit van hun water, over de temperatuur van hun omgeving en over weet ik veel wat nog meer. En datzelfde gold voor de vertegenwoordigers uit het dierenrijk. Zij gaven ingewijden bepaalde indicaties omtrent het landschap, het klimaat, de handel tussen verschillende groepen…”

“Botten zeiden iets over de handel?”

“Jazeker. Net als de resten van vachten dat deden. Of ivoor. En schelpen natuurlijk…”

“Hoe dan?”

Nou ja, dat is niet zo moeilijk te beredeneren toch? Als het dier er van nature niet voorkwam, dan konden zijn resten daar alleen maar terecht zijn gekomen door toedoen van de mens. En dat hield dus in dat er interactie was tussen verschillende volken. Dat vermoeden werd verder ondersteund door de vondsten van bepaalde sieraden en wapentuig; de archeometallurg constateerde dat zij bestonden uit bestanddelen die ter plaatse niet voorhanden waren en gaf import als enige logische verklaring.”

Elke vondst is een trede omhoog in onze kennis over het Neolithicum

Wat metalen vertellen

“Oh ja, de metallurg, die hadden we nog niet gehad.”

“De archeometallurg hield zich bezig met metalen, of beter gezegd; ertsen. En hoe oude beschavingen die delfstoffen wonnen en smolten. Aan het einde van de Steentijd ontdekte men koper en tin, en hoe je deze metalen kon samenvoegen tot brons, en nog weer later kreeg men in de gaten hoe je ijzer kon maken. Unteruhldingen was daar een van de eerste in, of althans, hier werd een van de oudste ijzerslakken ooit opgediept.”

“Een hele sterke slak?”

“Nee Einstein, de reststof die overblijft na het smelten van ijzererts. Jij had toch op de land- en tuinbouwschool gezeten?”

“Ja maar daar smolten we geen slakken! Dat is toch zielig?!”

Dat deden ze toen ook n… ach laat maar. Wat ik wilde zeggen; de hedendaagse metallurg is dus bij machte ambachtelijke activiteiten in een prehistorische smederijen te duiden door kleine monsters onder de microscoop te leggen. Onder dat vergrootglas kan hij zelfs zien hoe het deeltje tot stand is gekomen, waarvoor het diende, hoe lang het onder de grond lag, uit welke elementen het bestond en uit welke mijn het afkomstig was.”

Rond vormgegeven bezoekerscentrum neolithische vuursteenmijnen Spiennes
De neolithische mens groef niet alleen naar ertsen, in het Belgische Spiennes diende de mijn vooral voor de winning van vuursteen (die zich onder het ronde bezoekerscentrum bevindt)

Dendrochronologie snijdt hout

Eindelijk valt het kwartje bij Ech Nie; “Die archeologen van tegenwoordig zijn zo gek nog niet.”

“Nee, zeker niet, maar zonder goed bewaard gebleven materiaal zouden ze machteloos zijn. Daarom is deze site dus zo ongelooflijk waardevol!”

“Jaja.

“Ja. En om af te sluiten nog even dit; hout was de neolithische mens misschien nog wel het meest dierbaar. Ze gebruikten het voor van alles en nog wat, als constructiemiddel maar ook als brandstof. En omdat ze het zoveel gebruikten, is er ook veel van teruggevonden. En het mooie daarvan is weer dat deskundigen door middel van dendrochronologie (jaarringenonderzoek) kunnen vaststellen van welke boomsoort het hout afstamde, in welk jaar de desbetreffende eik, den, iep, spar, es of wilg geveld werd, welk gereedschap daarbij gehanteerd werd en uit welke contreien het afkomstig was. Een van de opvallendste conclusies uit dit onderzoek was dat men in de prehistorie waarschijnlijk al aan bosbeheer deed. Palen van gelijke leeftijd en diameter wezen dat uit.”

Een ecologische voetdruk liet de neolithische mens niet echter, alles wat ze gebruikten was biologisch afbreekbaar, maar dankzij de modder bleef desondanks veel bewaard

Vroeger was alles beter

Ech Nie denkt even na en concludeert dan; “In feite verschilde de vroegere boer dus niet eens zoveel met die van tegenwoordig? Hij kon alles al.”

“Ja, en niet alleen dat, hij ging nog veel verstandiger met zijn omgeving om ook. Hij verspilde niets.”

“Hij leefde volledig circulair?”

“Absoluut. En hij verpeste zijn grond niet met pesticiden of andere rotzooi.”

“En van varkensflats of legbatterijen had hij natuurlijk ook nooit gehoord?”

“Nee natuurlijk niet. Dierenwelzijn stond bij hem juist hoog in het vaandel. Net als het milieu trouwens; klimaatneutraal leven was bij hem een vanzelfsprekendheid. En produceren deed hij ook niet uit louter winstbejag, dat was gewoon om de maag te vullen.”

“Zie je nou wel, ik zei het toch al?”

“Eh, wat?”

“We zouden een voorbeeld aan die antieke agrariërs moeten nemen!”

Om huis en haard te beschermen tegen golfslag en kwaadwillenden richtte men palissades op

Boeren zijn de schuld van alles

Bang dat dit verhaal de verkeerde kant op gaat, druk ik Ech Nie’s hersenspinsel direct de kop in; “Nee juist niet schat, juist niet. Alle ellende begon immers pas ná de neolithische revolutie, toen de mens zijn jager-verzamelaar-bestaan opgaf, en boer werd. Er ontstonden klassenverschillen doordat niet iedere boer hetzelfde succes boekte, bijvoorbeeld omdat hij een beter stukje grond had, vlijtiger was of simpelweg meer geluk had. Hoe dan ook; de overschotten die hij genereerde, ging hij op een gegeven moment inzetten als ruilmiddel, en zo wist hij nog meer vee en land te vergaren. En dat maakte hem nóg rijker. Zijn buren keken hem daardoor echter steeds schuiner aan. Omdat zij op zijn eigendommen aasden huurde hij lieden in die zijn zaken konden beschermen. Een wapenwedloop startte en uiteindelijk leidde al dat gedoe tot de ongelijkheid waarvan we nu de wrange vruchten plukken…”

“Oh ja, ga je me nou vertellen dat al het onrecht in de wereld de schuld is van de boer? Ik word niet goed. Zonder boer, geen voer Ech Wel!”

“Weet ik. En de ontginning van de aarde en het kweken van voedsel bracht het land in cultuur, dat klopt ook. Net als dat er op die manier een grotere bestaanszekerheid geschapen werd, dat is ook zo. Maar je kan je desalniettemin afvragen of dat we er met z’n allen beter van geworden zijn. Ik waag dat te betwijfelen.”

Ech Nie kijkt me ongelovig aan. “Zij die altijd zo hun stinkende best doen, die met hun poten in de klei staan en zorgen dat jij elke dag te vreten heb, die val jij nou zo af? Ik weet ech nie wat ik hoor!”

“Ik denk dat jij een iets te romantisch beeld hebt van de huidige boer, Ech Nie. Schaalvergroting, mechanisatie en het grote geld draaiden dat die jongens waar jij het over hebt na de Tweede Wereldoorlog allemaal de nek om. Tegenwoordig zijn het allemaal miljoenenbedrijven. Maar ook in de prehistorie was het niet op elk gebied een vooruitgang. Naar verluid besteedden jager-verzamelaars maar een klein deel van de dag aan het bij elkaar sprokkelen van een maaltijd, terwijl boeren hele dagen op het veld stonden te ploeteren om ook wat op tafel te krijgen.”

“Wat is er nou weer mis met noeste arbeid?”

“Niks. Maar eerstgenoemden aten een stuk gevarieerder dan die families in paalwoningen. Vanwege het uitdijen van de groep mensen en het bijbehorende vee, dat er in alle vrijheid tussendoor scharrelde, namen de infectieziekten bovendien toe.”

Waartoe ziekten onder grote groepen mensen in staat waren, werd ons in Coronatijd steeds weer op het hart gedrukt (en getuige de mondkapjes van de overige bezoekers waren wij daar niet de enigen in)

Meer of minder?

“Wèèèh Wèèèh!” Ech Leuk had zich al die tijd buiten de discussie gehouden, maar nu ze haar middagdutje in de kinderwagen beëindigd heeft, heeft haar vader het volgens haar moeder gedaan. “Zie je nou wat er van komt? Van al die gekke praat? Nou heb je Ech Leuk ook aan het huilen gebracht!”

“Wat is er aan de hand?, vraag ik verwonderd. “Wil ze niet meer?”

“Nee, niet van al dat lekkers dat je haar geeft, want denk maar niet dat ik dat daarstraks niet gezien heb, en ook niet van al jouw stomme praatjes. We hebben er meer dan genoeg van! Wij gaan lekker thuis op de bank zitten.”

“Hoezo? Smaakt dit werelderfgoed niet naar meer?”

“Nee, naar minder! Ech Wel!”


Ook wel eens een van de honderdelf paalwoningnederzettingen bezocht? Iets opgediept of boven gehaald? Laat het ons weten in de reacties hieronder, we horen het graag!

Praktische informatie

Toen wij het Pfahlbau Museum bezochten was die nog in aanbouw, maar tegenwoordig hebben ze er een dijk van een museum waar je alle belangrijke vondsten uit de prehistorie op je gemak kan bekijken. Op de site van Unesco staat een document waarin valt terug te lezen waar alle paalwoning-locaties zich bevinden.

De neolithische revolutie vond niet overal tegelijkertijd plaats. Het begon in het Midden-Oosten, ongeveer 10.000 jaar geleden, en verspreidde zich pas 4.000 jaar later via de Balkan en de Middellandse -Zeekusten naar de Alpenlanden. In Noord-Europa bleef men nog lange tijd jager-verzamelaar (eskimo’s), de Amerikaanse indianen werden pas vorige eeuw gedwongen hun bizonjacht op te geven en zelfs vandaag de dag leven er in de woestijnen en steppen van deze wereld nog stammen die nog geen afstand hebben kunnen doen van hun nomadebestaan. Er zijn zelfs weer lieden uit het moderne Westen die vandaag de dag als digital nomad hun geld verdienen….

Afgaande op bovenstaand verhaal is de term Steentijd misschien niet helemaal juist gekozen, daar de mens toendertijd veel afhankelijker was van planten dan van stenen. Maar in eerste instantie was de archeologie vooral gebaseerd op de stenen monumenten die de vroege mens had achtergelaten, en dat zijn er heel wat. Stonehenge, Carnac, Newgrange en de tempels van Malta zijn Europese voorbeelden van sites die zelfs de Unesco-wereldergoedlijst haalden.

In de 19e eeuw werden nog meer subdisciplines van de archeologie ontwikkeld; door in het Engelse Dorset vele fossielen van dinosaurussen te verzamelen stond Mary Anning bijvoorbeeld aan de wieg van de paleontologie.

Inmiddels heeft zich in Rotterdam de Floating Farm gevestigd. Deze boerderij van de toekomst is nog niet helemaal klimaatneutraal, maar ze komen een eind. En ze hebben lekkere kaas!

Adres Pfahlbau Meseum:
Jaar van inschrijving: 2011
Bezocht: 2-9-2020
Nummer: 179

Lees ook:

Terug naar de Steentijd in de grot van Altamira
Op vakantie met een baby is Ech Leuk!