In de 12e eeuw voor Christus gebeurde het; het einde der beschaving was daar. Oorlog en klimaatverandering hadden een keten van afschuwelijke rampen in werking gezet. Door aanhoudende droogte en reeksen van aardbevingen mislukten de oogsten, ontstonden hongersnoden en volgden opstanden. De escalerende chaos ontaardde in een “perfecte storm” toen nietsontziende Zeevolken plunderend door de oostzijde van het Middellandse Zeegebied trokken. Binnen een mum van tijd werden de gevierde Rijken van de Babylonieërs, de Hettieten, de Trojanen en de Myceners zo goed als verpulverd.
“Wat loopt die vader van je nou allemaal weer te ouwehoeren?”, vraagt Ech Nie aan onze dochter Ech Leuk. “Weet ik niet mama.”
“Geen idee waar je het over hebt, Ech Wel. Kan je ons niet gewoon met rust laten? We hebben geen zin in al die doemverhalen van je.”
“Maar zien jullie dan niet de parallellen met onze huidige tijd? Ook nu doet klimaatverandering ons het water naar de lippen stijgen, rebelleert de bevolking tegen de elite en is het wachten tot de “Zeevolken” het rijke Westen overweldigen. Als we niet uitkijken is ons welvarende wereldje straks voorbij!”
“Ja maar tot die tijd vieren we gewoon vakantie. Als dat van jou nou mag tenminste…”

Werelderfgoed Mycene is niet voor iedereen weggelegd
Het is tekenend voor de fase waarin we zitten. Terwijl om ons heen zo’n beetje alles in elkaar stort, weigeren mijn meiden hun vertier door zoiets banaals als de actualiteit te laten bederven. Omdat ik hun idylle niet verder wil verstoren besluit ik er voorlopig maar het zwijgen toe te doen, als echter later op de avond duidelijk wordt dat morgen ook weer een bewolkte dag wordt, rakel ik het verleden toch weer eigenwijs op; “Het heroïsche tijdperk dat aan de totale ondergang voorafging werd voorgezeten door de Myceners, een bijzonder geavanceerd volk dat een grote rol speelde in de befaamde Ilias.”
“De Myceners? Nooit van gehoord.”
“Nou dan heb ik goed nieuws voor je. Mycene ligt op een steenworp afstand hier vandaan. Als we morgen om 7 uur vertrekken, kunnen we ruim voor de grote toeristenstromen er zijn alles over ze leren.”
“Ben je gek? Om 7 uur ‘s ochtends? Dan draaien wij ons nog lekker een keer om hoor, hè Ech Leuk? Ga jij maar lekker alleen.”

De reusachtige muren van Mycene
De volgende dag is het even na achten als ik het betonnen weggetje richting de legendarische Leeuwenpoort oploop. Slechts een enkel stelletje gaat me voor, daarbuiten is er niemand te bekennen. Onderwijl vergaap ik me aan de cyclopische muren waartussen de hoofdingang van de citadel verscholen gaat. Duizenden jaren zijn sinds hun oprichting voorbijgegaan, maar aan ontzag hebben ze na al die tijd nog niks ingeboet. Iedereen die de vestingwerken voor het eerst ziet zal ze afvragen hoe ze die gigantische stenen in godesnaam op elkaar hebben gekregen?
Volgens de Griekse mythologie was het Pereus, zoon van oppergod Zeus, die de cyclopen (eenogige reuzen) daartoe opdracht had gegeven. Kort daarvoor had hij er namelijk, bij het uit de grond trekken van een paddenstoel (myces in het oud-Grieks), een zuivere waterbron ontdekt, en natuurlijk gold dat wonderlijke voorval als een teken van de goden; schijnbaar was het hun wil om op deze gezegende plek een kolossale koningsburcht op te richten. Al kuierend tussen de enorme keien begrijp ik het rotsvaste geloof van de Oude Grieken in deze oeroude mythe wel; wie anders dan reuzen kunnen dit immense bouwwerk in elkaar hebben gezet?

Van Leeuwenpoort naar dodenmasker Agamemnon
De Leeuwenpoort bestaat uit twee rechtopstaande stenen, die de stijlen vormen, en een derde blok dat er dwars op ligt. Het geheel wordt bekroond met Europa’s oudst overgebleven, monumentale beeldhouwwerk; een driehoekige megaliet waarop twee leeuwinnenlichamen te zien zijn. De dieren flankeren een zuil en staan ieder met hun voorpoten op een altaarachtig platform. Helaas ontbreken de koppen, maar vermoed wordt dat ze van brons waren en de bezoeker recht in het gezicht aankeken. Het reliëf wordt door geleerden geduid als een uiting van koninklijke macht, waarbij de zuil het vorstendom symboliseert en de leeuwinnen haar bewakers zijn.
Ik ben onder de indruk van de poort, zeker als ik bedenk dat die uit 1250 voor Christus stamt. Maar ondanks dat dit stenen meesterwerk vandaag de dag het visitekaartje van het werelderfgoed vormt, werd de site pas echt wereldberoemd toen Heinrich Schliemann in 1876 direct achter de ingang grafcirkel A opgroef. Behalve de resten van 19 mensen (zowel mannen, vrouwen als kinderen) in 6 verschillende graven werd er een ongekende schat aan gouden en bronzen artefacten opgediept. Het meest befaamde voorwerp uit deze prehistorische juwelenkist was ongetwijfeld het dodenmasker van Agamemnon.

Het thema van de Ilias
Bezing, godin, de wrok van Achilles van Peleus, de bron van ellende die duizenden rampen bracht voor de Achaeërs. Dit is de beginregel van Homerus’ epos de Ilias, het oudst bewaard gebleven Griekse heldendicht dat zich afspeelt aan het einde van de Trojaanse oorlog. Troje was een strategisch gelegen stad aan de tegenwoordige noordwestkust van Turkije en Ilias was de oud-Griekse benaming van diezelfde plaats.
Het epische werk draait om de ruzie tussen de Griekse held Achilles en zijn commandant Agamemnon. Laatstgenoemde wordt door Homerus opgevoerd als de koning van het goudrijke Mycene die door zijn Spartaanse broer verzocht wordt mee ten strijde te trekken tegen de Trojanen omdat een van hun prinsen er met zijn vrouw Helena vandoor is gegaan. Agamemnon willigt het verzoek in, en daar hij het grootste aantal schepen opbrengt dat naar Troje uitvaart, krijgt hij het opperbevel over de Griekse (Achaeërs) troepen.

Schliemann legt schatten Troje en Mycene bloot
Eind 19e eeuw, ten tijde van de Romantiek, raakte de gefortuneerde Schliemann in de ban van Homerus’ gedichten. De mythen beschreven in de Ilias en de Odyssee (het vervolg) had hij als feitelijke geschiedenis tot zich genomen en sindsdien deed hij er alles aan om te bewijzen dat hij het met die opvatting bij het rechte eind had (het dan heersende idee is dat Troje nooit heeft bestaan). In 1871 voltooide hij zijn queeste. Niet alleen wist hij Troje uit een Turkse heuvel op te vissen, hij vond er tevens de schat van Priamus terug. Althans, zo beweerde hij zelf. Als rechtgeaarde romanticus legde hij een verband tussen al zijn opgravingen en de sagen van weleer; en omdat hij had gelezen dat Piraeus zijn rijkdommen net voor zijn nederlaag begraven had, vernoemde hij zijn hele verzameling gevonden voorwerpen naar de laatste koning van Troje.
Gesterkt door het overweldigende succes trok Schliemann een paar jaar later naar Mycene om daar zijn huzarenstukje te herhalen; en het moet gezegd, ook hier slaagde de man wonderwel in zijn missie. Geïnspireerd door oude reisverslagen begon hij te spitten binnen de muren van de citadel en bracht hij opnieuw uiterst waardevolle spullen naar de oppervlakte (waaronder gouden dodenmaskers, diademen, ringen, bekers, en met kunstige miniaturen ingelegde dolken en zwaarden) En behalve dat die ontaarde objecten door hun pracht de mensheid versteld deden staan, verschaften ze geleerden ook geheel nieuwe inzichten over de Myceense beschaving.

Myceense beschaving resultaat van eeuwenoude ontwikkeling
Een beetje oneerbiedig gezegd was Schliemann niet meer dan een ordinaire schatgraver, een amateurarcheoloog die met zijn rücksichtlose werkwijze vaker iets volledig ten gronde richtte dan dat hij iets intact uit de grond haalde. Gelukkig genoot hij na zijn triomfen liever van de roem die hem ten deel viel (hij was tenslotte wel de man die had aangetoond dat de Ilias niet alleen op fantasie berustte) dan dat hij zich nog verder om de vindplaats bekommerde. Zo kon hij tenminste ook niets meer vernietigen (of stelen, waar die al even bedreven in was). De archeologen die na hem aan het werk gingen, en wél gekwalificeerd waren, kwamen al snel tot de ontdekking dat Schliemanns vondsten niet ten tijde van de Trojaanse Oorlog ter aarde waren besteld, maar zo’n drie tot vierhonderd jaar eerder.
Zestienhonderd jaar vóór Christus waren de Myceners dus blijkbaar al in staat zulke artistiek verfijnde materialen te vervaardigen. Hoe kon dat? Het antwoord bleek tweeledig. Ten eerste kwam de Myceense beschaving niet zomaar uit de lucht vallen, integendeel, ze had toen al een ruim 5000 jaar oude geschiedenis achter zich liggen. Het was de neolithische Griek die met zijn landbouwgemeenschappen (vergelijkbaar met de prehistorische paalwoningen rond de Alpen) het fundament onder de evolutie legde. Vanaf 6800 voor Christus was hij het die begon met het cultiveren van het land, het aanleggen van (maritieme) netwerken en het scheppen van een welvaart die langzaam maar zeker groot genoeg was om een heersende elite te doen ontspringen (die later (een groot deel van) de Mediterrane wereld zou domineren).

Myceners ontplooien zich tot krijgszuchtig volk
Die gestage ontwikkeling zagen de archeologen ook terug in de grafgiften die overleden Myceners meekregen. Waren die eerst nog relatief bescheiden van aard geweest, zoals in grafcirkel B (die pas in 1951 net buiten de muren van Mycene werd ontdekt en ruim 100 jaar ouder was dan grafcirkel A) gaandeweg werden ze steeds omvangrijker en “exotischer”, om tenslotte in Schliemanns spectaculaire schatten te culmineren.
De exotische waren die men in de graven aantrof waren niet zuiver luxe goederen als Baltische amberkralen, Afrikaanse struisvogeleieren en Kretenzische kunstwerken, ze bevatten ook producten die wezen op een samenleving die zich meer en meer specialiseerde in militaire technologie. Op grafstenen werden krijgers afgebeeld die zich voortbewogen in door paarden voortgetrokken strijdwagens, op begeleidende vazen zag men steevast marcherende soldaten terugkomen en in zo’n beetje elke laatste rustplaats vond men wel een scala aan dolken, speren, messen en lange bronzen zwaarden.

Lineair B onthult paleiseconomie Mycene
Naast een enorm geografisch bereik (zij kwamen van verre) wezen de giften ook op een zekere autoriteit. Een samenleving die het zich kon veroorloven dergelijke kostbaarheden aan ontzielde dierbaren mee te geven, moest de beschikking hebben gehad over een groot vermogen aan arbeid, middelen en organisatietalent. Het kon bijna niet anders, concludeerden oudheidkundigen, of zo’n hoogstaande beschaving hanteerde ook een of ander schrift. In 1900 werd deze hypothese bevestigd. Tussen de puinhopen van verschillende Myceense paleizen doken kleine, met het zogenaamde Lineair B volgeschreven kleitabletten op. En die kleitabletten gaven het aanvullende antwoord op eerstgenoemde vraag.
Nadat het schrift in 1952 werd ontcijferd, werd een bang vermoeden meteen bewaarheid; het Lineair B was een zuivere administratieve taal. Voor poëzie, beschrijvingen over de dagelijkse gang van zaken, filosofische gedachten of gebruikelijke godsdienstriten had men op de tabletten geen plaats ingeruimd. Het enige wat de Myceense administrateurs noteerden waren opsommingen en namenlijsten in de trant van het aantal kruiken olijfolie wat persoon X leverde of wie allemaal naar de Golf van Korinthe roeide.

Mycene werd van bovenaf geregeerd
Maar door het ontleden van duizenden inventarissen groeide onder professoren het besef dat de Myceense maatschappij een ingewikkelde, hiërarchische structuur moet hebben gehad en dat die onder streng toezicht van een koning (Myceners hadden het over een wanax) en zijn functionarissen stond. Blijkbaar hadden zij het gezag om landbouwoverschotten van boeren te innen, daarover belasting te heffen en wat overbleef te verdelen over leger, priesters, ambachtslieden en andere dienstverleners. Tegelijkertijd leken de machthebbers te beseffen dat hun weelde niet vanzelfsprekend was, en dat het produceren van wapens van het grootste belang was om die rijkdom te bewaren.
Staande voor het ronde graf schiet al die informatie door mijn hoofd en realiseer ik me wat voor een geweldige geschiedenis hier ligt. Nóg meer interessants biedt het clustertje gebouwen achter grafcirkel A, maar daar ik de site inmiddels helemaal voor mezelf heb (het stel ben ik kwijt) wil ik m’n tijd niet verdoen aan een paar afgebrokkelde muurtjes. Liever richt ik me op het weergaloze paleis wat zich op de top van de Akropolis bevindt.

Koninklijk megaron staat model voor latere heiligdommen
De wanax hield hof in een zogenaamd megaron; een rechthoekig gebouw met twee verschillende ruimtes. De ene was een grote troonzaal, de ander een voorhal met twee zuilen rond de entree. Uiteraard rest van dit bouwwerk niet veel meer dan wat vage contouren op de grond maar als ervaren werelderfgoedreiziger kan ik me desondanks wel een voorstelling maken bij zijn vroegere uiterlijk; de opzet van het megaron werd namelijk door de Oude Grieken eeuwenlang gebruikt als basis voor hun klassieke tempels, en op mijn queeste was ik er daarvan al heel wat tegengekomen (Agrigento, Athene, Bassae). De beroemde tempel van Salomo (en daarmee zo’n beetje elke middeleeuwse kathedraal) was trouwens eveneens op dit principe gebaseerd.
Het megaron vormde het ceremoniële hart van de Myceners. Hier werden de gasten van de koning te midden van kleurrijke, met jacht- of oorlogsscènes gedecoreerde muren ontvangen en vierden zij gezamenlijk het leven rondom een grote, door vier zuilen omringde haard. Ondertussen bestuurden ambtenaren de stadsstaat vanuit het naastgelegen complex. Zij onderhielden het diplomatieke verkeer, regelden de opslag en herverdeling van goederen, importeerden paarden en metalen, organiseerden de bouw van ontzaglijke vestingwerken en registreerden alles punctueel in lineair B.

Technische hoogstandjes bewijzen kunde Myceners
Na duizenden jaren civilisatie begrepen de Myceners hoe ze arbeid konden verdelen en rijkdom vergaren. Maar dat wilde nog niet zeggen dat ze daarmee uitgeleerd waren. Verre van. Het was pas in de periode daarna (1400 tot en met 1200 voor Christus) dat zij hun hoogtijdagen beleefden. Pas toen, ruim 200 jaar na het aanleggen van grafcirkel A en B, verschenen de cyclopische muren, de Leeuwenpoort en de Tholos(koepel)graven.
Na het zien van het megaron daal ik de berg weer af en loop langs de ondergrondse cisterne (wateropslag) en via de tweede toegangspoort naar buiten. Beide monumenten werden aangelegd om tijdens een belegering verzekerd te zijn van voldoende drinkwater en tonen mij eens te meer zien hoever het technische vernuft van de Myceners inmiddels was gevorderd. Verder bewijs van hun kunde ontwaar ik bij het graf van Klytaimnestra, de vrouw van Agamemnon.

Agamemnon krijgt bij thuiskomst deksel op neus
Agamemnons band met vrouwen was geen gelukkige. Het was de echtgenote van zijn broer die hem de Trojaanse Oorlog in trok, het meisje van rivaal Achilles die de campagne zo stroef deed verlopen en ’s mans eigen wederhelft die hem na Troje uiteindelijk de das omdeed. In de Odyssee vertelt Homerus over de schim van Agamemnon en zijn ronddolen in de onderwereld. Naar eigen zeggen is Agamemnon daar door toedoen van zijn overspelige vrouw terechtgekomen, nadat zij hem bij thuiskomst op verraderlijke wijze had vermoord. Verbitterd over deze daad adviseert hij Odysseus, de hoofdpersoon van het verhaal, (die na de slag van Troje al jarenlang thuis probeert te komen) dat hij; Nooit een vrouw moet vertrouwen, niet te zachtmoedig voor ze moet zijn en nooit in alle openheid weer moet keren.

Graf van Klytaimnestra
Klytaimnestra pleegde haar misdrijf in samenwerking met haar minnaar Aigisthos en volgens de overlevering werden zij buiten de citadelmuren begraven omdat men hen niet langer waardig genoeg achtte om binnen de koninklijke wallen te rusten. Niettemin lag haar graf vol juwelen en kostbare edelstenen, dus erg ontdaan over de moord zullen haar onderdanen niet zijn geweest. Helaas is het niet langer mogelijk haar sieraden met eigen ogen te aanschouwen, daar de toenmalige Turkse gouverneur op het moment van ontdekking de gelegenheid ten baat naam om een extra centje bij te verdienen. Ergo; hij liet het graf leeghalen en verkocht de inhoud aan de hoogste bieder. Sindsdien ontbreekt van Klytaimnestra’s kleinoden elk spoor.
Of het graf daadwerkelijk aan Klytaimnestra toebehoorde weet overigens niemand; de Myceners lieten nou eenmaal geen titels op grafstenen achter en het feit dat de naam reeds uit de oudheid stamt zegt ook al niks, die oudheid begon pas 1200 jaar nadat mevrouw haar laatste adem uitblies.

Schatkamer van Atreus
Nog een stukje verder bij de citadel vandaan ligt de schatkamer van Atreus, vernoemd naar Agamemnons vader. Net als de tombe van Klytaimnestra is het graf gebouwd in de vorm van een bijenkorf. De toegangspoort is ruim 5 meter hoog en wordt afgedekt door een latei van ongeveer 120 ton zwaar. Het is niet de enige megaliet in het bouwwerk; langs de toegangsweg (dromos) liggen een paar stenen die eveneens vele kilo’s bevatten. De binnenkant van de koepel zou ooit met edelmetaal bedekt zijn geweest, en de zuilen naast de poort met motiefrijke, groene albast, maar van die decoratie is ter plaatse niks meer overgebleven.

West-Europeanen roven Mycene leeg
Ten tijde van de Romantiek konden plaatsen als Mycene zich “verheugen” op grote belangstelling van West-Europese lieden als Heinrich Schliemann en Lord Elgin, hoogdravende heren die meenden dat de kunstschatten hen toebehoorden of op zijn minst uit de grijpgrage klauwen van het Ottomaanse Rijk (waar Griekenland destijds onderviel) gered moesten worden.
Schliemann smokkelde onder andere de schat van Priamus naar zijn heimat Duitsland en Lord Elgin werd vooral beroemd door het jatten van sculpturen die de Atheense Akropolis sierden. Minder bekend is dat laatstgenoemde ook een bezoekje aan de Acropolis van Mycene bracht. En hoewel zijn plannen om de Leeuwenpoort te verschepen vanwege logistieke problemen (hun kolossale gewicht behoedde hen voor diefstal) strandden, kon niet worden voorkomen dat wat er nog aan schoons op de poorten van Atreus’ schatkamer restte in Engeland belandde.

Na jaren van grote bloei eindigt de beschaving
Zoals gezegd verkeerde Mycene ten tijde van de constructie van de Tholosgraven op het toppunt van zijn macht. Door slimme diplomatie, een sterk leger, uitwisseling van luxe goederen en nauwe contacten met onder meer Egypte (waar ze hun goud vandaan haalden), de Hettieten (zilver) en de Minoërs (de bewoners van Kreta wiens handelsroutes ze overnamen) ging het de oer-Grieken voor de wind. Maar zoals de geschiedenis ons telkens weer duidelijk maakt; aan al het goede komt een eind.
Vanaf 1225 voor Christus begon de aarde over een periode van vijftig (!) jaar met grote regelmaat te schudden,. Daar bovenop kwamen tsunami’s, lange periodes van droogte, vluchtende bevolkingsgroepen en nietsontziende Zeevolken. Zoveel ellende was zelfs de welvarende Rijken rond de Middellandse Zee teveel. Een voor een gingen zij kopje onder. Nadat de eens zo schitterende paleizen allemaal in rook waren opgegaan, en de wereldbevolking drastisch was afgenomen (men schat met ongeveer 75%) startte de anarchie. Te druk om de gevaren van die tijd het hoofd te bieden vergat men het schrift en ging opgedane kennis op nagenoeg elk gebied jammerlijk verloren.

Homerus eert helden uit lang vervlogen tijden
Het Duistere Tijdperk zou eeuwenlang aanhouden. Mycene, Troje en nog tientallen andere steden verdwenen langzaam onder een berg zand en zij die overleefden keerden terug naar de eenvoudige boerengemeenschappen van vroeger. Maar ondanks al die rampspoed bleef een vage herinnering aan wat eens was geweest levend. Het loflied over de Trojaanse helden verstomde nooit. Zij werd van generatie op generatie doorgegeven en door de jaren heen steeds verder geromantiseerd. In de 8e eeuw voor Christus bloeide Griekenland eindelijk weer op. Een nieuw schrift werd geïntroduceerd en verschafte dichter Homerus de gelegenheid om hymnen over die glorierijke tijd aan het papier toe te vertrouwen.

In de voetsporen van Mycene…
Met die gedachte laat ik Mycene achter me, hoopvol over de toekomst en reikhalzend uitkijkend naar het weerzien met mijn allerliefsten. Weliswaar heb ik tijdens mijn afwezigheid niks van ze vernomen, een primeur, maar daar zoek ik in eerste instantie niks achter. Ech Nie zal het wel druk hebben gehad met Ech Leuk, denk ik, en gewoon niet aan een berichtje zijn toegekomen. Maar onderweg naar ons vakantieadres begint het toch te knagen; de wijze raad van Agamemnon laat me niet meer los en de donkere wolken boven mijn hoofd geven me het onbehaaglijke gevoel dat er grote problemen op komst zijn. Waarom waren de dames niet gewoon, zoals het beschaafde werelderfgoedreizigers betaamt, mee op queeste gegaan? Wat was dat voor barbaars gedoe? Broeit er iets? Is een perfecte storm op komst? Staat mijn rijk ook op het punt van instorten?
Wanneer ik in alle openheid weerkeer, en er niet een keer naar mijn lotgevallen wordt gevraagd, weet ik genoeg…
Ech Wel!
Ook wel eens in Mycene rondgebanjerd? Schatten opgegraven of graven geschat? Laat het ons weten in de reacties hieronder, we horen het graag!

Praktische informatie
De Myceense beschaving werd vernoemd naar zijn beroemdste stad, Mycene, maar dat was niet de enige grote nederzetting die ze hadden. Het Rijk bestond uit een heel netwerk van zelfstandige, versterkte paleissteden. Een daarvan was Tiryns, dat een paar kilometer bij Mycene vandaan ligt en eveneens tot het werelderfgoed behoort. Andere centra waren Pylos, Athene en Thebe.
De brandschatting van de Myceense paleizen was natuurlijk een catastrofe, maar zonder die fik hadden we nooit geweten van het Lineair B. Het schrift van de Myceners werd namelijk gedrukt in vochtige klei en niet bedoeld om lang te bewaren. Zij bleef echter bewaard doordat ze verbrandde. Heet vuur deed de tabletten bevriezen in de tijd; ze werden keihard en bleven goed geconserveerd achter terwijl de rest tot as werd gereduceerd.
Jaar van inschrijving: 1999
Officiële website: e-mycenae.org
Bezocht: 17-05-2024
Nummer: 216
Boekentip: De crisis in de late Bronstijd werd treffend beschreven in het boek 1177 v. Chr. het einde van de beschaving door E Cline. In De Myceense wereld, Krijgers, paleizen en de oorsprong van de Griekse mythologie van History 360 komen, zoals de naam al zegt, alle aspecten van de Myceense wereld aan bod. Zij vormden beide een (inspiratie)bron voor dit artikel.
Lees ook:




