Wat telt als gezien is maar net hoe je het bekijkt

Gezien

Jaren geleden reed ik door Duitsland en zag in de verte de kathedraal van Keulen trots zijn toren de lucht in steken. Mooi, dacht ik, en vinkte de site af van mijn lijstje. Gezien. Rond diezelfde periode brachten wij een dagje door in het Belgische Antwerpen. We liepen er langs kathedraal, stadhuis en Plantin-Moretus museum en schreven na de wandeling ook deze 3 Unesco-monumenten bij op onze palmares. Gezien.

Maar toen begon het te knagen…

Vervelend

Naar verloop van tijd bekroop mij een gevoel van onbehagen, een vervelend gevoel dat maar niet wilde verdwijnen. Ik worstelde met de vraag wanneer ik een site nou eigenlijk als gezien kon beschouwen en wist me op een gegeven moment nauwelijks nog raad. “Wat lig je nou te woelen joh”, vroeg Ech Nie enigszins bekommerd, “beter ga je gewoon lekker slapen.”

“Ja, jij hebt makkelijk praten”, dacht ik, “maar bij jou spoken er geen onopgeloste queesties door het hoofd.”

Gezien
Plantin Moretus museum

Driekwart

Op zoek naar een antwoord stuitte ik op de 75% regel. Hoewel hij met name werd gebruikt voor seriesites kon die, zo werd mij verteld, ook als algemene stelregel voor een doorsnee monument worden gehanteerd. De uitleg die volgde was even  simpel als complex. Bezoek minimaal 75% van het erfgoed alvorens je de site kan tellen als gezien.

“75%?!”,  Schreeuwde ik midden in de nacht. Ik had al uren liggen malen en net toen ik in een onrustige slaap was gevallen schoot ik weer wakker. “Wat een waanzin is dat!! Dan moet ik tientallen kastelen in de Loire-vallei bezoeken, honderden vertrekken in het Versaillespaleis doorlopen, duizenden kilometers struinen over het pelgrimspad naar Compostela, ontelbare bomen vellen in het Amazonewoud, Miljoe…”

“Ga slapen Ech Wel!”

Maar ik was niet meer tot bedaren te krijgen en krijste onvermoeibaar door over de onmogelijke queestie die mij was opgelegd. Hier te kort, daar te lang. Dit, dat, zus, zo. Ech Nie werd helemaal gek van de gillende sirene naast haar. “Kijk dan of je wat anders kan verzinnen”, was de tip die ze me uiteindelijk mee gaf. Verrot, dacht ik, helemaal niet aan gedacht. Wat een goed idee! Ik viel meteen als een blok in slaap.

Gezien
Kathedraal van Keulen

De kerk van Keulen

De volgende dag echter begon het gepeins van vooraf aan. Hoe moest ik dan beoordelen of ik een site recht had gedaan? Kon ik bijvoorbeeld serieus stellen dat ik de kathedraal van Keulen, die mij slechts in een oogwenk voorbij was geschoten, ook daadwerkelijk had gezien? Telden die paar seconden of was een langere tijdspanne toch ech wel geboden? Ik kwam er niet uit en wendde mij ten einde raad tot de Heilige geschriften van Unesco.

Het nominatiedossier doceerde over de uitzonderlijke intrinsieke waarde die het Godshuis vertegenwoordigde en maakte tevens melding van de vele artistieke meesterwerken die de kerk bevatte. Daarmee wist ik genoeg. Niks van dit alles had ik in ogenschouw genomen en dus kon van een vinkje geen sprake zijn. “Moeten we toch weer naar Keulen mein Liebling”, deelde ik Ech Nie mee…

“Scheisse!”, zei ze slechts.

Gezien
Artistieke meesterwerken in de Keulse kathedraal

De drie van Antwerpen

Zó, met de Keulse queestie uit de wereld was bedtijd nu wel aangebroken, dacht Ech Nie, maar dat bleek toch wat voorbarig. De drie van Antwerpen toonden zich namelijk al even koppig als de Keulse kathedraal en begonnen zich op hun beurt in mijn slaap te roeren. “Wat lig je nou te draaien joh”, vroeg Ech Nie tamelijk geërgerd, “laat die stomme queesties nou eens los.”

“Ja, dat kan jij makkelijk zeggen”, dacht ik, “maar queesties als deze zijn nou eenmaal erg vasthoudend.”

Het probleem waar ik mee zat opgezadeld was het feit dat het werelderfgoed slechts van de buitenkant was aanschouwd. Nou én, vond Ech Nie, maar de extremist in mij kwelde zichzelf met de vraag of dit wel voldoende was. Kon ik leven met een oppervlakkige observatie of zag ik een kijk op het interieur als een minimale vereiste? Vertwijfeld over zoveel toestanden bracht ik de zaak andermaal bij Unesco te berde.

Gezien
Stadhuis van Antwerpen

Wel of niet gezien?

In het geval van stadhuis en kathedraal roemde de VN-organisatie vooral de aanwezigheid van belforten. Deze torens golden als uniek en een symbool van de stad, zo meldden ze me, en waren daarmee de grond waarop de werelderfgoedkwalificatie gebouwd was. Dat gaf voor mij de doorslag. De torengebouwen had ik uitstekend van buitenaf kunnen waarnemen en konden zodoende van het lijstje worden geschrapt. Gezien.

“Ah plezant”, zei Ech Nie opgelucht, “dan hoeven we dus in ieder geval niet naar Antwerpen.”

“Beetje prematuur sjoeke.”

In de casus van Plantin Moretus lag de zaak namelijk heel anders. De presentie van een complete drukkerij uit de Renaissance was voor Unesco de drijfveer om het gebouwencomplex op de lijst van werelderfgoed te zetten. Van onschatbare waarde, oordeelde de vakkundige jury, en prees op een zelfde wijze de uitgebreide bibliotheek, de archieven en de vele kunstwerken. Daarmee was ik er uit. Geen van deze zaken had ik gade geslagen en dus kon het museum niet van de lijst worden gestreept. “Moeten we toch weer naar Antwerpen mijn lief”, meldde ik Ech Nie…

“Miljaar!”, luidde haar barse commentaar.

Gezien
Kunstwerken van onschatbare waarde in Plantin Moretus

Irritatie

Hèhè, eindelijk verzekerd van een goede nachtrust, dacht Ech Nie na thuiskomst, maar dat bleek opnieuw te vroeg gejuicht. Angstige gevoelens grepen om zich heen en verstoorden wederom ons beider beddegang. Het waren de soldaten van het Chinese terracottaleger die mij met vreselijke nachtmerries teisterden. “Wat lig je nou weer in je nest te spitten?”, vroeg Ech Nie zwaar geïrriteerd, “ik ben zo langzamerhand wel klaar met al dat gedoe van jou.”

“Ja dat kan jij makkelijk roepen”, dacht ik, “maar deze Chinese queestie schreeuwt gewoon om aandacht ja.”

Het graf van Qin

Of ik het graf van keizer Qin nou wel of niet kon doorhalen was de volgende queestie die mij het hoofd op hol deed slaan. Wilde ik serieus beweren een site  gezien te hebben als ik er zelfs nog nooit was geweest? Was het redelijk genoegen te nemen met een bezoek aan een rondreizende tentoonstelling of moest ik toch echt ter plaatse gaan om me te vergewissen van Qin’s grafcomplex? Ik wist het niet en in mijn wanhoop benaderde ik Unesco ten derde male.

De exceptionele beeldhouwkunst van de duizenden soldaten, paarden en strijdwagens zijn van buitengenome historische waarde, zo repte Unesco in zijn beoordeling. Ze getuigen van de militaire kwaliteiten ten tijde van de Ming Dynastie en verschaffen ons onmetelijke kennis op het gebied van oude vechtkunst en antieke pottebakkerstechnieken. Daarmee had ik meteen m’n antwoord. Ik had dan misschien niet 75% procent van die kleisoldaten gezien maar dacht toch ech genoeg beelden op mijn netvlies te hebben gehad om te begrijpen waar het bij deze site om ging. Gezien dus, besloot ik, en bleef in Rotterdam…

“幸福!”, reageerde Ech Nie duidelijk.

Gezien
De soldaten van terracotta

Gevoel

“Wat zeg je Ech Nie?”

“Ik vind het maar stom Ech Wel. Uitgerekend een site die ons altijd uit het zicht bleef beschouw jij nou ineens als gezien. Vind je dat zelf ook niet een beetje raar?”

“Nee, niet echt. Het is namelijk maar net hoe je het bekijkt; gezien is ook begrepen hebben, snap je?”

“Hè?”

“Dat het vooral een queestie van gevoel is.”

“Oh, nou dat worden nog een hoop slapeloze nachten dan. Ik bedoel, als ik iets heb leren kennen de afgelopen tijd…”

“Fijn hè, schat, een man met gevoel. Als dat niet telt…”

“Nou, zo blij mee.”

“Ech Wel!”

 

2 Reacties

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: