Onze vakantie in Kroatië was niet alleen legendarisch vanwege het allereerste werelderfgoed dat we er zagen (Plitvice), ook de rit naar huis was er één om nooit te vergeten. Vanaf het moment dat we in de auto zaten, openden zich de hemelsluizen en werden we door één grote zondvloed overspoeld. Als gevolg van de watersnood regende het overal aanrijdingen en verliep de terugreis tandenknarsend traag. “Lekker weer, Ech Wel!”

“Ja, net of ik daar wat aan kan doen!”

En dachten we net bij het verlaten van Oostenrijk eindelijk het ergste achter de rug te hebben, kwamen we rond München in zo’n verschrikkelijke superstau terecht, dat we met de waterlanders in de ogen besloten ons originele plan dan maar te laten varen (ergens halverwege overnachten) en in één ruk door naar Rotterdam te peddelen. “Zo Ech Wel”, zei een dodelijk vermoeide Ech Nie bij aankomst, “dat was dus eens maar nooit meer!”

Ondergaande zon in heuvellandschap Toscane
En de zon ging onder in Toscane

Halteplaats Lyon

Ten einde een dergelijk rampscenario het volgende jaar te voorkomen, hadden we bedacht om in ieder geval niet meer van die lange afstanden te rijden. Daarmee hadden we natuurlijk nog steeds niet het weer in de hand, maar met een geplande tussenstop hoopten we tenminste even op adem te kunnen komen.

Toen we dus in 2011, aan het begin van onze werelderfgoedqueeste, vanuit het zonnige Toscane huiswaarts keerden, (en de eerste druppels ons alweer begonnen te teisteren), namen we bij Lyon de afslag en checkten in bij een van tevoren geboekt hotel. “En trouwens, het zou ook niet echt verantwoord zijn om deze mooie stad zomaar voorbij te rijden…”

“Want het is Unesco zeker?”

“Inderdaad ja, hoe raad je het zo?”

Zandstenen voorgevel van theater in Lyon met beelden en drietal balkons
Théatre des Célistins

Saint-Jean-Baptiste-et-Saint-Etienne

Vanuit ons “Grand Hotel” gids ik Ech Nie langs de rivier (“de Seine”) voorbij de schouwburg (“Théatre des Célistins”) naar de biddende heuvel “Fourvière”. Terwijl we over de brug (“Pont de Bonaparte”) lopen, wijs ik mijn dierbare op de gotische kathedraal die pal aan het water staat.

De inwoners van Lyon hebben de kerk gewijd aan Johannes de Doper en Sint Stefanus, (“Saint-Jean-Baptiste-et-Saint-Etienne”) omdat de twee mannen golden als beschermheiligen van wevers, stoffenververs en kleermakers. “En voor een stad die groot werd dankzij de zijde-industrie is dat natuurlijk wel een aardige geste…”

“De zijde-industrie? Oh da’s mooi, met een beetje geluk kan ik dus nog wel een leuk jurkje scoren vandaag?”

“Nou dat denk ik niet, Ech Nie. Het is al laat in de middag en we moeten nog helemaal naar boven om Maria te bedanken…”

Gotische kathedraal van Lyon op de voorgrond en basiliek Fourvière op een heuvel daarachter
Kathedraal en basiliek

Verkeerde plaats

Hoewel de kathedraal ook van binnen een plaatje schijnt te zijn (wij gingen niet kijken) ligt Lyons ware kroonjuweel boven op de mystieke berg Fourvière. De basiliek geldt als het symbool van de stad en werd opgericht uit dankbaarheid voor het feit dat de Heilige Maagd Maria, tijdens de Frans-Duitse oorlog van 1870, de vijand buiten de deur had weten te houden. (zo luidde althans de interpretatie van de toenmalige bisschop)

Omdat het bovendien de derde keer was dat Onze-Lieve-Vrouw de Lyonnais behoedde voor naderend onheil (in 1643 maakte ze een eind aan de Zwarte Dood en in 1832 stopte ze ook een cholera-epidemie) leek de bewoners een prachtig eerbetoon wel op zijn plaats.

Ech Nie is echter, niet geheel verrassend, minder over de plaats te spreken. “Waarom moest dat ding nou weer uitgerekend op een heuvel worden gezet?”

“Omdat het verheven architectuur is, Ech Nie!”

“En waarom kunnen we dan niet via de kabeltram naar boven?”

“Omdat de weg omhoog langs alle Romeinse overblijfselen van de stad leidt!”

Halfronde tribunes van Romeins amfitheater uitgehakt in een heuvel
Romeins amfitheater op de heuvel Fourvière

Lugdunum

De Galliërs waren de eerste bewoners van de streek en zij doopten de huidige Fourvière heuvel, Lugdunum, de “heuvel van de raven”. Volgens de overlevering stamt de naam af van twee prinsen die op zekere dag een plaats zochten om een nieuwe stad te stichten.

Toen de heren op een plek arriveerden waar twee rivieren samenvloeiden, (behalve de Seine stroomt ook de Rhône door de stad) streek naast hen op de heuvel een zwerm raven neer. Aangezien raven in die tijd als heilige dieren werden beschouwd, interpreteerden de koningszonen het voorval als een goed teken en wisten ze dat hun locatie was gevonden.

Nadat in 43 voor Christus de Romeinen arriveerden, werd Lugdunum tot hoofdstad van Gallië gepromoveerd. Thermen, tempels, aquaducten, circus en amfitheater verrezen, en door middel van een vijftal wegen werd de stad met alle andere belangrijke centra in het Rijk verbonden. Het was meteen de geboorte van het eeuwige verkeersknooppunt Lyon.

Rijk versierde gevel met Maria in de punt, lovende mensen en wakende engelen
Maria op de gevel van de Notre Dame

Notre Dame de Fourvière

Anders dan de meeste toeristen staan wij echter niet lang stil bij de verkeersknoop; het kan Ech Nie allemaal niet bekoren en de invallende schemering helpt ook niet echt. Door naar het oude forum vetus dan maar. Het vroegere politieke en religieuze centrum van de Romeinen is tegenwoordig behalve naamgever ook de plaats waar de Notre Dame de Fourvière staat. “Hèhè, zijn we er eindelijk!”, puft Ech Nie weinig enthousiast.

“Stel je niet aan schat. De wandeling van kathedraal naar basiliek wordt door de inwoners van de stad elk jaar ondernomen (tijdens de hóógmis op acht december, de dag van de Onbevlekte Ontvangenis) en hoort gewoon bij een bezoekje aan de stad.”

“Zoals ik al zei is de basiliek gewijd aan Maria, de Heilige Maagd. Vandaar het pure, witte uiterlijk van de kerk (die de maagdelijkheid van de Moeder Gods symboliseert) en Maria’s prominente plaats op de voorgevel. De vier achthoekige torens staan voor de vier kardinale deugden; wijsheid, rechtvaardigheid, moed en gematigdheid. (Bekend uit de oudheid en door het christendom overgenomen.)”

Groene onyx, dorische zuilen en heilige beelden  bepalen het interieur van Fourvière kerk in Lyon
Interieur Notre Dame de Fourvière

Feest van het licht

“Lyon behoort toe aan Maria”, luidde het motto tijdens de bouw, en het overdadige goud, zilver, marmer en onyx in het interieur moest dat nog eens benadrukken. Maar behalve het vele edelmetaal is ook de rest van de kerk één grote lofzang op de Heilige Dame. De zes grote mozaïeken vertellen over haar relatie met Frankrijk en de Kerk, de zes belangrijkste glas-in-lood ramen representeren haar zes verschillende koninklijke manifestaties, de acht kapellen beelden haar leven van geboorte tot hemelvaart uit en de drie koepels tonen haar in het gezelschap van de drie hemelbewoners; Vader, Zoon en Heilige Geest.

Het is inmiddels donker en een magnifiek schijnsel doet de basiliek stralen. “Passend”, licht ik Ech Nie toe, “want behalve “heuvel van de raven” wordt Lugdunum ook wel vertaald als “stad van het licht”. In de naam zit namelijk het woordje Lug, en dat was ook hoe de oude Galliërs hun zonnegod noemden (en zij beschouwden de raaf als een van zijn boodschappers).

In dat licht bezien is het ook wel aardig om te weten dat de Lyonnais, tijdens de jaarlijkse Maria-processie, het feest van het licht vieren. Tijdens dit zogenaamde Fête des Lumières verandert Lyon in een schitterend lichtspektakel en worden alle belangrijke monumenten decoratief met lampen beschenen. Voor Maria, de moeder van het Licht, was er natuurlijk geen passender hommage denkbaar.”

Truffelsoep op een bord met getekende konijnen, ganzen en gouden borduursel
Truffelsoep is het bekendste gerecht van de hand van Paul Bocuse. bron

Paul Bocuse

Ech Nie ziet het echter allemaal anders. Mokkend daalt zij de helling af omdat voor haar de duisternis slechts inhoudt dat de winkels zijn gesloten en de zijdezachte outfitjes tot morgen moeten wachten. Als ik haar tijdens de wandeling naar beneden vertel dat we zo ook in de voetsporen van de Lyonnais treden, “want na de val van het Romeinse Rijk ging het met de inwoners bergafwaarts”, wordt het er niet beter op. Pas met mijn opmerking dat het zo langzamerhand wel tijd is voor een laatste avondmaal, gaan bij haar de ogen weer glanzen. Lyon geldt namelijk als de hoofdstad van de gastronomie, dus vandaar.

De meest prominente man van de Lyonese keuken was de chef-kok Paul Bocuse, (hij overleed in 2018) ook wel de “paus der gastronomen” genoemd. Voor zijn traditionele gerechten liet hij zich uitsluitend bedienen door wat de seizoenen hem brachten en als ingrediënten gebruikte hij alleen datgene wat de marktlui hem konden leveren. Verder had hij niet veel op met ingewikkelde kooktechnieken, waren kwaliteit en versheid geboden en droegen zijn dissen altijd een lokaal karakter.

Lekker dineren

Hoewel Pauls culinaire hoogstandjes tot de wereldtop behoren, is de rekening vaak zo gepeperd dat mosterd na de maaltijd er wel voor uitgevonden lijkt. Omdat ik daar echter niet zo’n trek in heb, laat ik het aan mijn eigen keukenprinsesje over om met een aanvaardbaar alternatief te komen.

Een vrij lastige opgave, zo blijkt al spoedig, want in een stad vol eettenten en Michelinsterren lukt het mevrouw maar niet een keuze te maken. Als we na een paar uur rondscharrelen nog altijd niet aan tafel zitten, zijn bij mij de rapen gaar en maak ik haar duidelijk dat het nou toch ech wel schafttijd is.

Uiteraard is de opmerking met een korreltje zout bedoeld, maar niettemin brengt ze Ech Nie helemaal van de kook. Als een kip zonder kop rent ze door de straten en loodst ze ons precies dat ene etablissement in waar ze nou net níet weten hoe dat een gerecht smakelijk moet worden klaargemaakt. “Nou”, zeg ik bijna net zo aangebrand als de voor mij liggende blanquette de veau, “dit is echt vlees noch vis!”

“Het is inderdaad niet veel soeps hè”, erkent ook Ech Nie.

Weids blik over Lyon met rivier, schiereiland Presqu'ile en hoogbouw op de achtergrond
Presque’ile van bovenaf gezien

Presque’ile

De volgende dag lopen we met een flinke kater (de nare smaak moest wel overvloedig worden weggespoeld) richting Croix Rousse, de heuvel van de zijdewevers. Om bij de werkende heuvel te komen moeten we door het hart van de stad (het schiereiland “Presqu’ile”) en stuiten we op een aloude queestie; een antiekmarkt. “Oh leuk Ech Wel, even snuffelen hoor…”

Ik maak van de nood een deugd en vertel Ech Nie en passant dat de markten in de tijd van de Renaissance, de periode van de wedergeboorte, ook in Lyon voor een opleving zorgden. “Sterker nog, na in de middeleeuwen behoorlijk vervallen te zijn geraakt, groeide de stad dankzij de beurzen uit tot een commercieel, financieel en intellectueel centrum.”

“Wat vind je hiervan?” vraagt Ech Nie. Of ze me gehoord heeft weet ik niet, maar ondertussen diept ze wel een of ander verroest prul vanuit de rotzooi op.”

“Troep!”, zeg ik kattig.

marktplein met kramen omringd door heuvel en renaissancegevels
Antiekmarkt in Presque’ile

Zijde-industrie Lyon

Lyons wederopstanding was voor een groot deel te danken aan de Italianen en de door hen geïntroduceerde zijde-industrie. Door het planten van moerbeibomen (benodigd voor de kweek van zijderupsen) en het opzetten van een gilde (waarin wevers, spinners en kooplui gezamenlijk optraden) ontstond een economische macht die lange tijd de grootste van Frankrijk was.

Buiten de zijde droegen de Italianen ook bij aan het tot stand komen van een bankensector (nog altijd is Crédit Lyonnais een van de belangrijkste bedrijven van de stad) en de ontwikkeling van verschillende kunsten. Op literair gebied was het evenwel de Fransman Rabelais die de meest opmerkelijke prestatie leverde. Zijn vijfdelige romanreeks over twee reuzen (die hij schreef ter gelegenheid van de markten) wordt nog altijd als een van de belangrijkste werken in de wereldliteratuur aangemerkt.

“En dit boek dan? Is dat niks?” Ech Nie houdt nu weer een totaal uit elkaar vallend, vergeeld schrift omhoog. “Het gaat over reizen…”

“Niet alles wat oud en vervallen is, is van bijzondere en universele waarde, Ech Nie…”

Kleurrijke en in hoogte verschillende gevels omlijsten nauwe straat
Renaissancegevels in binnenstad Lyon

Revolutie en Napoleon

Chagrijnig over mijn botte afwijzing van haar oude zooi, benen we verder langs bonte boetiekjes en roze Renaissance-gevels. Een uitgelezen mogelijkheid, vind ik, om Ech Nie er nog even op te wijzen dat men in Lyon wel vaker van mening verschilde.

In de tweede helft van de 16e eeuw kwam het tot heftige botsingen tussen katholieken en protestanten, en na de Franse Revolutie onderdrukten republikeinse troepen met ongekende wreedheid elke Lyonese opstandigheid. Het stadsbestuur had zich namelijk, in de ogen van het centrale (Parijse) gezag, schandalig gedragen (als “vijanden van de vrijheid”) en had daarmee zijn bestaansrecht volledig verspeeld.

Aanvankelijk was de soldaten bevolen alles en iedereen van de kaart te vegen, maar gelukkig bleef Lyon dat trieste lot bespaard. “Slechts” tweeduizend ‘contrarevolutionairen” en een paar honderd gebouwen moesten het ontgelden.

Niet lang daarna was het Napoleon zelf die Lyon weer rehabiliteerde. Hij liet nieuwe pleinen op platgebrande wijken zetten en gaf met het verstrekken van grote opdrachten de op zijn gat liggende zijde-industrie (die tijdens de Revolutie bijna zijn hele klandizie onder de guillotine had zien verdwijnen) de impuls die het nodig had. Binnen de kortste keren spon iedereen weer volop garen aan zijden draadjes.

Winkelende mensen in sfeervolle straat met restaurants en winkels
Rue St. Jean, een drukke winkelstraat in Lyon

Kelerestad Lyon

Ondanks dat Ech Nie mij inmiddels volkomen negeert (ze is veel te druk met winkelen en loopt niet eens meer aan mijn zijde) ga ik onverdroten verder met mijn verhaal. “In de 19e eeuw werd Lyon de eerste industriestad van Frankrijk. De weefgetouwen en naaimachines deden hun intrede en vanwege voortdurende, technische verbeteringen kwamen steeds meer fabrieksarbeiders op straat te staan. (waar vroeger zes man aan de touwen stonden, was nu één enkele wever voldoende) De werkloosheid die de modernisering teweeg bracht, leidde tot grote sociale onrust en uiteindelijk tot enkele bloedige veldslagen met het Franse leger.”

“Tsjongejonge zeg, wat een kelerestad!”

“Nou ja, daar kon de stad natuurlijk niets aan doen, Ech Nie. Het was de overheid die…”

“Ik bedoel dat ik nergens een fatsoenlijk stofje kan vinden, Ech Wel. En als er al wat ligt dan is het reteduur!”

“Ja dat snap ik. Toen de zijde-industrie van Lyon in de 20e over de kop ging, bleven alleen de meest exclusieve zaken over. De enige consumenten die hier tegenwoordig nog bediend worden komen uit de elektronica of de luchtvaart.”

Pikante leren kleding in een rode etalage
Leuke boetiekjes genoeg, maar toch was nergens een fatsoenlijk stofje te vinden...

Traboules

Uiteraard heb ik het na die laatste opmerking helemaal gedaan. ”Of ik dat niet wat eerder had kunnen zeggen?” en “Lopen we hier al die tijd voor niets!”

“Hoezo, voor niets? We zijn onderweg naar Croix Rousse, weet je nog? De zijdeweverswijk. We moeten namelijk nog één van hun belangrijkste, architectonische verdiensten bekijken; de traboules.”

“De traboules?”

“Ja, overdekte passages die tussen de huizenblokken in werden gebouwd. Ze waren bedoeld om de kostbare zijdeproducten ongeschonden van atelier naar soieur te krijgen. Weer en wind kunnen hier namelijk verraderlijk uit de hoek komen.” Ik heb het nog niet gezegd of boven ons openen zich de hemelsluizen.

Hemelsluizen openen zich boven Lyon

Toekomst

Om niet door de zondvloed overspoeld te raken, vluchten we naar een van de traboules en schuilen daar voor de regen. “Ech Wel, ik hoop toch niet dat dit ons voorland wordt hoor…”

“Nee dat pleurisweer ben ik nou ook wel zat inderdaad.”

“Ik doelde eigenlijk op het werelderfgoed schat. Ik hoop niet dat Unesco in de toekomst belangrijker wordt dan ons eigen geluk. Dat we straks helemaal geen oog meer hebben voor elkaar en…”

“Welnee joh, hoe kom je daar nou bij? Wist je trouwens dat Lyon in de Tweede Wereldoorlog de hoofdstad van het verzet was? En dat de traboules behalve goede schuilplaatsen voor de regen ook bescherming boden tegen de nazi’s?”

“Zucht. Dit heeft geen zin zo, laten we maar naar huis toe gaan….”

“Goed idee, schat. Ik heb trouwens nog wel een stop in Luxemburg op het programma staan…”

“Ook weer Unesco?”

“Uiteraard. Kunnen we mooi even op adem komen…”

“Pffff…”

“Fijn hè? Die twee dagen extra vakantie…”

“Ech Wel!”


Ook geïnteresseerd in de zijde-industrie van Lyon, winkelen of Maria-processies? Laat het ons weten in de comments hieronder, we horen het graag


Lees ook:

* Over een andere stad die groot werd dankzij kledingstoffen

Van Straffe Hendrik tot Brugse Zot, het bourgondische leven in Brugge