De Eolische eilanden in zwaar weer

Eolische eilanden

“Nog eentje maar schat en dan hebben we ze allemaal gehad. Dan is Sicilië compleet.” We toerden al twee weken rond op het Italiaanse eiland en onze vakantie naderde zijn voltooiing. Ech Nie zuchtte eens diep. “Nog eentje?”, vroeg ze op de haar zo kenmerkende, verveelde toon. “Er komt geen einde aan. Waar moeten we nog nu nog weer naar toe dan?”

“De Eolische eilanden meissie, vermaard om hun vulkanisme en genoemd naar Aeolus, de Griekse god van de wind.” Ik bracht het zo luchtig mogelijk maar wist meteen dat ik op zwaar weer kon rekenen. “Eilanden?” klonk het verschrikt. “Ja”, antwoordde ik rustig. “Of eigenlijk gewoon bergen, bergen in zee…” Het was een poging haar de wind uit de zeilen te nemen maar dat bleek vergeefse moeite. “Bergen dus?”, herhaalde ze smalend. “Wat dacht je? Als ik het haar zo vertel dan stemt ze er misschien wel mee in?” Het eerste briesje van de dag stak gelijk de kop op.

Eolische eilanden
Lavabergen

Tegenwind

“Helemaal niet”, ontkende ik onmiddellijk. “Ik wilde juist benadrukken hoe bijzonder het werelderfgoed is. Ik bedoel, wie gaat er nou met een boot naar de bergen? Dat is toch best bijzonder?” Ik zag de bui al hangen en probeerde daarom de discussie naar rustig vaarwater te leiden maar met al mijn geschipper had ik een kapitale blunder gemaakt; ik had het “B-woord” laten vallen. Ech Nie begon meteen te steigeren. “Ik ga niet op een boot Ech Wel! Dat weet je toch, dan word ik zeeziek. Hoe vaak moet ik je dat nou nog vertellen?” Het briesje wakkerde snel aan tot een fikse tegenwind.

In de luwte

Ik probeerde mijn zin door te drijven en gooide het over een andere boeg. “Als je maar vaak genoeg tegen jezelf zegt dat je het niet kan dan wordt het ook nooit wat Ech Nie! Je moet je grenzen wel durven te verleggen! Wat als Columbus die instelling van jou had gehad? Of de gebroeders Wright? Die lieten zich niet beperken hoor. Die gingen gewoon door. Van iedereen kregen zij de wind van voren maar zij hielden desondanks vast aan hun idealen. Zij durfden te dromen en dat legde ze uiteindelijk bepaald geen windeieren.”

“Ik zie niet in wat dat met…”

“Dat kan jij óók Ech Nie! Ook jij kan jezelf ontwikkelen. Moet je alleen wel af en toe uit je beschutte comfortzone komen en je kop in de wind gooien.”

“Ik zit anders liever in de luwte…”

“Ja maar dan zal je nooit tot volle wasdom komen, Ech Nie. In een queeste is het nou eenmaal zo dat je hindernissen moet zien te overwinnen. Zo werkt dat. Dan kan je niet bij de eerste de beste queestie je handen in de lucht gooien en zeggen dat je het niet kan. Dan mis je de boot. Het is juist op die momenten de bedoeling dat je de uitdaging aangaat en probeert het maximale uit jezelf te halen. Moet jij maar eens kijken, straks, als je landt op één van de zeven Eolische eilanden, wat een voldoening dat geeft. Wetende dat je iets gedaan waarvan je dacht dat je het niet kon stemt een mens onwijs tevreden.”

Eolische eilanden
Storm op komst

Storm

Mijn pleidooi had niet meteen het gewenst effect. “Weet je wat het met jou is, Ech Wel?” reageerde ze gebeten, “jij bent net rupsje-nooit-genoeg. Jij wilt altijd meer. Je hebt niet eens in de gaten dat ik al hartstikke veel doe voor die achterlijke queeste van jou. Wij zijn hier op onze huwelijksreis, weet je nog? Dan hoor je te genieten van zon, zee en elkaar! Maar nee hoor, niet met Ech Wel. Die scheurt het hele godvergeten eiland over omdat die zo graag oude Griekse tempels wil zien. Of rommelende vulkanen. Zolang het maar Unesco is dan is het goed. Maar ik ben d’r klaar mee Ech Wel. Ik wil dit niet!” Van een fikse tegenwind waren we inmiddels in een stevige storm beland.

Afnemende wind

“In een goed huwelijk is het geven en nemen Ech Nie. Dat weet jij ook. En doe nou niet of we nog helemaal niet op het strand geweest zijn want dat is gewoon niet waar. Trouwens, weet je waar zich één van de mooiste stranden van Sicilië bevindt? Precies, op Lipari. Het grootste eiland van allemaal. Laten we daar dan heen gaan. Heb jij je strand en ik m’n site, beter kan toch niet?” Ech Nie, blijkbaar toch een beetje schuldbewust van haar plotselinge uitval, moest daar even over nadenken. “Hoe lang duurt die boottocht eigenlijk?”, vroeg ze uiteindelijk. Gelukkig, dacht ik, de wind is even wat gaan liggen.

“Dat valt reuze mee”, antwoordde ik. “We pakken de boot vanuit Milazzo en dan kunnen we in een uurtje op het witte strand van Lipari liggen. Spiaggo Bianco noemen ze dat daar. Lig je liever wat rustiger en op zwart zand dan moeten we naar Vulcano, het eilandje ernaast. Het zogenaamde Spaggia di Sabbia Nera schijnt helemaal bijzonder te wezen. Het eiland, pardon, de berg, is trouwens vooral vanwege zijn vulkanische verleden interessant. Ze zeggen dat Aristoteles in de oudheid al begonnen is het ding te onderzoeken en dat ze daar tot op de dag van vandaag nog mee bezig zijn. Maar goed, wat voor jou misschien interessanter is om te weten; ze hebben er heerlijke thermale baden. Goed voor je gezondheid en humeur…”

“Hmmm”, zei Ech Nie ietwat schoorvoetend, “misschien moeten we dan inderdaad maar even gaan kijken…”

Eolische eilanden
Lavasteen

Orkaan

“Dat dacht ik ook!”, riep ik enthousiast. En met de wind zo lekker in de zeilen deed ik er nog een schepje bovenop. “Stromboli is overigens de ware zevenklapper van het stel. Het was de plaats waar volgens de mythes de troon van Aeoles stond. Het kind van Poseidon (God van de zee) gaf de windrichting aan door gebruik te maken van de rookpluim uit de vulkaan. Hartstikke slim natuurlijk! En omdat de vulkaan op Stromboli nog springlevend is doet die dat kunstje nog steeds. Geweldig toch? Bang dat je de rookpluim mist hoef je ook al niet te zijn want de vulkaan is nog zo actief als wat. Een paar keer per dag, en soms zelfs een paar keer per uur, stoot de berg kokendhete lava uit. Schitterend om te zien hoor, werkelijk waar…”

“Ik wist dat er nog iets zou komen…”

“Ja maar het zou toch zonde zijn als we dat unieke natuurverschijnsel zouden laten varen?”

“Mwoah…”

“Het ligt alleen een ietsiepietsie verder in zee…”

“Als ik het niet dacht. En hoe ver is dat ietsiepietsie?”

“Vier kleine uurtjes maar…”

“Vier uur?!” Ech Nie ontplofte. “Ben jij helemaal gek geworden?! En dan moet ik zeker maar hopen dat Aioli niet net zo chagrijnig is als die goede oude Hephaistos van je?” De stoom kwam uit haar oren en ik wist dat ik mijn kansen op een goede afloop had verspeeld. Wie wind zaait kan storm verwachten, zoiets. Ik probeerde de situatie nog te redden door te stellen dat Aeoles juist mensen hielp en ons heus niks zou doen maar ik wist dat het slechts vechten tegen windmolens was. Lang verhaal kort (dat had ik nou eenmaal beloofd); wat begon als een licht briesje groeide uit tot een orkaan van een discussie. Aan het eind van het liedje blies ik het hele avontuur maar af en legde me neer bij haar veto.

Eolische eilanden
Huwelijk op de klippen?

Overwaaien

Stilletjes had ik gehoopt dat de hele queestie wel over zou waaien maar daar bleek ik me lelijk in vergist te hebben. Ech Nie had het even helemaal gehad met de Unesco-queeste en omdat ik mijn huwelijk niet gelijk in de eerste twee weken van haar bestaan op de klippen van de Eolische eilanden wilde laten lopen berustte ik in mijn lot. Maar ja, vervelend was het natuurlijk wel. Straks zouden we weer terug naar huis vliegen zonder dat we het werelderfgoed hadden bezocht. Een vreselijk scenario, in mijn beleving, die me meer en meer parten ging spelen. Wat moest ik nou?

De queestie speelde op het vliegveld van Catania nog steeds door mijn hoofd. We stonden op het punt van vertrekken en ik wist me van ellende geen raad. In plaats van terug te kijken op een geslaagde honeymoon overheerste bij mij vooral een algeheel gevoel van falen. “Ga jij maar bij het raam zitten”, zei Ech Nie in haar streven mij een beetje op te beuren. Pfff, dacht ik, alsof dat ook maar enigszins het missen van de Eolische eilanden goedmaakte. Ik kon er niks aan doen maar verweet haar toch stiekem onze misser. Het was tenslotte haar schuld dat we er niet waren geweest. Mokkend nam ik dan ook plaats op mijn stoel en sloot mijn ogen. Beter even een tukkie doen dan de troostende woorden van Ech Nie te moeten aanhoren.

Bliksem

Net na het opstijgen kon ze me echter toch weer niet met rust laten. “Hé, stuk chagrijn, wordt eens wakker!”, zei ze, terwijl ze me in mijn zij porde. Ik sloeg haar advies in de wind en deed net of ik al in een diepe slaap was gesukkeld. Ech Nie trapte er alleen niet in en stompte me nog wat harder. “Laat me met rust, Ech Nie”, zei ik een beetje kriegel. “Ik ben niet in de stemming.“

“Oh sorry hoor, ouwe mopperkont. Ik wilde alleen maar even weten of dat daar beneden nou Vulcano of Stromboli was…”

“Hè, wat?” Als de bliksem schoot ik overeind. Had ik dat nou goed gehoord? Ik keek uit het vliegtuigraam en jawel hoor, daar lagen ze. De Eolische eilanden. “Maar, hoe, wie, waar?”

Eolische eilanden
Daar lagen ze, de Eolische eilanden. Het kegelvormige eilandje is Stromboli

Tornado

“Ik heb tijdens een onderonsje met de piloot verteld dat hij een Unesco-fundamentalist aan boord had”, zo lichtte Ech Nie me in. “Ik vertelde hem er gelijk bij dat de situatie behoorlijk ernstig was maar dat die wellicht een ramp kon voorkomen door even over een paar lullige eilandjes te vliegen. Daar hoefde voor de rest niemand van te weten en het zou de fundamentalist er zeker van weerhouden gekke dingen te gaan doen. Verkoos die het oude vluchtplan dan waren de consequenties voor hem.”

Gevoelens van intense liefde, extase en euforie borrelden in mij op en gierden als een tornado door m’n lichaam. Dit had ik echt nooit meer verwacht! Uit pure vreugde vloog ik Ech Nie om de hals en beloofde haar andermaal mijn eeuwige trouw. “Dat heb je nou eens goed gedaan, schat!”, complimenteerde ik haar. “Geweldig gewoon!” Eenmaal weer enigszins bij zinnen pakte ik haar hand en deelde haar mee dat het wat mij betreft een fantastische huwelijksreis was geweest. Ech Nie knikte instemmend. “En wat fijn ook dat we dan toch nog de laatste Unesco-site hebben gezien hè?”, voegde ik er aan toe. Opnieuw gaf Ech Nie me gelijk. “Eigenlijk hebben we het best goed hè, saampies?”, was mijn conclusie en weer was ze het met me eens. Het was weer goed. De storm was gaan liggen en tevreden vlogen we (hand in hand) terug naar ons mooie Rotterdam. Ech Wel!

Is de ideale lengte van een blogpost een queestie van tijd?

Blogpost

Of ik wel begreep dat het internet bedoeld was voor kort en snel?, werd mij onlangs gevraagd. “Eh, sorry?” Ja, dat dus. En of ik me wel realiseerde dat iederéén tegenwoordig om aandacht schreeuwt? “Eh, jawel maar…” En dat ik eens moest luisteren in plaats van maren. “Maar…” En of ik er wel eens aan gedacht had om mezelf in een ander te verplaatsen? “Eh…? Is er soms iets?”

“Ja, je lult teveel”

“Pardon?”

“Je verhalen zijn te lang Ech Wel. Mensen hebben geen tijd voor die enorme lappen tekst van jou.”

“Wie zegt dat?”

“Dat is gewoon zo. Luister, het is allemaal best aardig geschreven hoor. Dat wel. Maar mensen zijn druk. Die zijn de hele dag aan het stressen op het werk of met de kinderen. Als ze dan eens een momentje voor zich zelf hebben dan scrollen ze door het internet en snellen gauw wat koppen, tijd voor de lotgevallen van een stuntelend reisduo hebben ze vaak niet.”

“Niet?

“Nee.”

Blogpost
Geen tijd

Hoe lang moet een blogpost zijn?

Er gaan op het internet vele theorieën rond over de ideale lengte van een blogpost. Zo zweert de een bij een maximale lengte van 300-500 woorden terwijl de ander juist heilig geloofd in teksten van minimaal 2800-3000 woorden. Wie er gelijk heeft mag het zeggen. De eerste beargumenteert zijn stelling doorgaans met het feit dat iedereen tegenwoordig veel te druk is voor een beetje verhaal, de ander zwaait weer met onderzoeken die melden dat alleen langere kopij échte aandacht verdient. Kortom, niemand weet het en er valt geen zinnig woord over te zeggen. Maar Ech Nie dacht van wel.

“Denk je nou echt dat iemand jou wil lezen als de aardappels op het vuur staan, de kleine om een snoepje jengelt en de droger staat te piepen dat de was klaar is?”, was haar retorische vraag.

“Nou nee, dan niet nee”, beantwoordde ik hem tegen beter weten in.

“Nou dan we er toch?”

“Nee helemaal niet! Wacht nou is effe. Niemand kan vier dingen tegelijk, okee, eens, dat snap ik. Maar je moet mij natuurlijk ook pas lezen als het eten er in zit, als dat jong op bed ligt en de strijk is gestreken. Dan pak je er een glas wijn of thee bij, doe je de bank in standje “relax” en verrijk je je kennis met één van mijn altijd interessante anecdotes. Moet jij eens kijken hoe lekker dat is.”

Blogpost
Een wat oudere blogpost

Ontspanning of inspanning

“Ja, zo lekker dat iedereen na een minuut ligt te pitten. Werkt dus niet. Weet je wat het is, Ech Wel, mensen zijn moe na een dag vol inspanning, die willen rust.”

“Maar dan ontspannen ze toch tijdens mijn verhaal?”

“Neehee, stuk eigenwijs, dat is te lang. Dat kóst inspanning! Ze willen aan het eind van een dag worden vermaakt met een geinig filmpje of een ontroerende foto. Een stukje tekst kan natuurlijk ook, maar dan moet het wel kort en bondig zijn. Niemand zit te wachten op een compleet boekwerk over de universele waarde van een barok paleis, een verdwenen kalifaat of een weiland vol koeien. Dat is echt niet zo belangrijk als jij iedereen wil doen geloven.”

“Unesco zegt anders van wel…”

“Ja Unesco, lekker voorbeeld. Die zijn al net zo leip als jij. Trouwens, wanneer dringt het nou eindelijk eens tot je door dat het in het leven niet allemaal om werelderfgoed draait? Dat jij tegenwoordig met niks anders bezig bent wil nog niet zeggen dat de rest van Nederland ook zo verknipt is.”

Blogpost
Queestie van tijd

Oppervlakkig of de diepte in?

Nou werd die helemaal mooi; was eerst de lengte van mijn blogpost al niet goed, kreeg ik nu ook nog eens te horen dat de inhoud niet deugde. Ik probeerde de bal terug te kaatsen. “Maar niet iedereen is zo oppervlakkig als jij, Ech Nie. Sommige mensen willen ook nog wel eens wat leren en zo. Die willen de diepte in.”

“Die zullen er best zijn inderdaad”, gaf ze me even gelijk, “maar die zitten alleen niet op Facebook.”

“Wat nou die zitten niet op Facebook. Ech wel!”

“Ech nie! En als ze wel er wel zitten dan zitten ze niet dáárom op Facebook. Mensen zitten op Facebook voor de snelle hap, voor de lol of het contact. Niet voor zelfontwikkeling of suf gedoe want daar hebbie de bieb of school al voor. Eigenlijk moet je al gewoon heel blij zijn als iemand jouw berichtje weet te vinden. Dat is al heel wat. Als die dan ook nog eens de moeite neemt om naar jouw site te klikken dan moet je natuurlijk niet aankomen met een of andere architectonische lofzang op het Brugse beton…

“Le Havre, Ech Nie. Het beton was in Le Havre. Brugge was met bier.

“Hè? Oh, Le Havre dan. Ook goed. Waar het om gaat is dat je een nieuwe bezoeker niet moet afschrikken met een ellen(de)lange tekst want dan surft die gelijk weer verder.”

Blogpost
Flinke verhalen

Queestie van tijd

Daar had ze misschien toch een punt. Het meeste verkeer wat ik namelijk op mijn site ontvang komt binnen via social media als Instagram en Facebook. Google, de zoekmachine die eigenlijk al die gebruikers richting Unesco-queesties.nl moet dirigeren, weigert mij namelijk structureel in de zoekresultaten op te nemen. Tenminste niet op de eerste twee pagina’s. Als ik geluk heb word ik ergens op pagina 20 vermeld maar ja, dat schiet natuurlijk niet op. Daar kijkt niemand. En je wilt juist verkeer van Google hebben want dat zijn over het algemeen mensen die wél geïnteresseerd zijn in wat jij te vertellen hebt. Iemand die een specifieke zoekopdracht heeft ingetikt is immers eerder geneigd jouw stukje te lezen dan iemand die per ongeluk op je site belandt. “Als dat klote Google dan ook eens gewoon zijn werk deed”, mopperde ik, “dan hoefden we nu niet heel deze discussie te voeren.”

“Tuurlijk, het ligt weer aan een ander. Probeer nou zelf ook eens wat te veranderen in plaats van niet kansloos vast te houden aan iets wat niet werkt.”

“Nou ja, ik schrijf tegenwoordig toch al volgens die stomme SEO-regeltjes? Daarvan zeiden ze ook dat het Google zou helpen jouw site te vinden…”

“Dat klopt. Maar die regels zijn slechts een hulpmiddel. Hoe je het ook wendt of keert, uiteindelijk is het allemaal een queestie van tijd. Daarom, wordt kort!”

Het was duidelijk, volgens Ech Nie was ik te lang van stof en moest ik maar gewoon een beetje inbinden. Kort maar krachtig, dat was een beetje de strekking van haar verhaal. Ondanks mijn twijfels besloot ik haar advies op te volgen. Baat het niet, schaadt het niet, zo overtuigde ik mezelf. De volgende keer dus geen lang verhaal maar een kort stukje met een vliegensvlugge beschrijving van het werelderfgoed. Eens zien of het aanslaat. “En als dat niet zo is?”, vroeg Ech Nie argwanend.

“Dan nemen we voor elke site weer ruimschoots de tijd. KwalitIJd zeg maar. Ech Wel!”

Romantiek langs de Rijn

Romantiek

Romantiek is aan mij niet besteed, ik heb liever snoeiharde seks daar ben ik te nuchter voor. Ech Nie, daarentegen, is een en al gevoelsmens. Een echte vrouw zogezegd, die vol zit met emotie en onzekerheid. Ze heeft aandacht nodig en affectie, vraagt voortdurend of alles nog wel goed is en ziet graag om de haverklap een bevestiging van mijn liefde. Als stoere bink heb ik me daar maar bij neer te leggen, vindt ze, omdat “dat nou eenmaal zo hoort.” Daarom had ik, in een poging te voldoen aan haar torenhoge verwachtingen, een romantisch weekendje langs de Rijn in Duitsland geboekt.

Weltschmerz

“Duitsland? Wat moeten we daar nou weer?”, was de enthousiaste reactie van Ech Nie. Ik had haar net op de hoogte gebracht van mijn zorgvuldig uitgestippelde plan en had eigenlijk op een wat hartstochtelijkere respons gerekend. “Naar de rots van Loreley schat, al 200 jaar het summum van de Duitse Romantiek.” Ik zei het met de beste bedoelingen maar het was alsof ik haar een weekendje concentratiekamp aanbood. “Naar Duitsland?” herhaalde ze vol ongeloof, “jij snapt er ook echt helemaal niks van hè. Als er nou een land niet romantisch is dan is het Duitsland wel!” Dat begon al weer goed, dacht ik. Probeerde ik ook eens goed te doen kreeg ik gelijk weer dit. “Duitsland is juist Überromantisch!”, verdedigde ik mezelf, “sterker nog; ze hebben het er uitgevonden.”

“Ja, nog effe.”

“Nee echt, ik meen het! Okee, ik snap dat het nu misschien wat onwaarschijnlijk overkomt maar het land der tegenwoordige grootmuilen was ooit een streek vol verlichte romantici. Eind 18e eeuw wemelde het er namelijk van de humeurige mensen (inderdaad, wat dat betreft is er weinig veranderd) en die hadden het allemaal heel erg moeilijk met zichzelf. Ze voelden zich niet thuis in de moderne maatschappij en dachten met weemoed terug aan die goede oude tijd, toen geluk nog heel gewoon was en de mensen warm van hart. Ze leden aan een soort van ongeneeslijke ontevredenheid dat ook wel Weltschmerz werd genoemd.”

“Ja”, zei Ech Nie, “en tegenwoordig heet dat een depressie. Niet heel erg romantisch of wel?”

Romantiek
Burcht Gutenfels, wijnranken en het water van de Rijn. Midden-Rijn ten voeten uit.

Romantiek is een vlucht

“Nou en of”, ging ik verder. “Het was ook meer een gevoel van melancholie dan van depressiviteit. Het had te maken met een trieste gemoedstoestand, tragiek en het verlangen naar een onbereikbare, betere wereld. Romantici kwamen in opstand tegen de gevestigde orde en de wetmatigheden van de wetenschap. Ze hadden belangstelling voor mysterie en het onverklaarbare en moesten niets hebben van rede of een universele moraal.”

“Ik weet niet wat jij allemaal hebt gelezen”, kwam Ech Nie weer tussendoor, “maar over Romantiek ging het niet. Romantiek is een etentje bij kaarslicht of een strandwandeling met ondergaande zon.”

“Precies”, zei ik. “Goed punt. Daarmee komen we gelijk bij de kern van de zaak. Romantiek is namelijk niks anders als een vlucht uit de realiteit. Het is een poging te ontsnappen uit de sleur van alledag, het najagen van een droom of een eigen sprookjeswereld en het hier en nu willen vergeten omdat het zo’n “pijn” doet. Het is waarom Loreley zo verdrietig op haar rots zit en daarom gaan we daar nú naar toe.”

Romantiek
Midden-Rijndal

Een romantische dood

Midden-Rijn is het 65 km lange rivierdal tussen Koblenz en Bingen. Tussen de hoog oprijzende rotspartijen van het leisteengebergte stroomt het zacht ruisende water van de Rijn. Een mythisch landschap vol vervallen burchten, kloeke kastelen en hellingen vol wijn. Een waar paradijs dus voor de naar Romantiek hunkerende medemens. Hier had hij dan eindelijk zijn plaats gevonden en kon hij zich laven aan de ongerepte natuur en de vele volksverhalen die het gebied rijk is.

In de plaatselijke mythes was het vaak een heroïsche ridder die centraal stond en onvermoeibaar vocht tegen het kwaad of voor een onmogelijk ideaal. Vol lof was men over zijn doorzettingsvermogen en opofferingsgezindheid en wanneer hij stierf in de strijd dan werd dat gezien als een nobele zaak. Een romantischer dood kon men zich welhaast niet voorstellen. Het decor van al die sages was vaak mistig; een dicht bebost woud, een exotisch oord of een schemerwereld vol geesten en schimmen. Magiërs, tovenaars en heksen moesten nog eens extra bijdragen aan de mystieke sfeer en aan het noodlot leek nooit iemand te kunnen ontkomen. Aan het eind van het verhaal was vaak de conclusie dat de strijd tevergeefs was geweest en het doel onbereikbaar. Niet zelden besloot de hoofdpersoon daarop tot een laatste wanhoopsdaad, zelfmoord.”

Romantiek
Een van de grootste burchten van het gebied, Burg Rheinfels

De boze bisschop van Bingen

We waren onze reis begonnen in Bingen en daar liet ik Ech Nie onmiddellijk kennis maken met bisschop Hatto, de gemene godsdienaar uit de middeleeuwen. Het was een vervelende vrek die weigerde het graan in zijn volle schuur te delen met de hongerende bevolking. “Ik geef het nog liever aan de muizen”, zo liet hij regelmatig optekenen, “dan dat ik ook maar een korrel deel met jullie arme sloebers.”

“Wat een Dom figuur”, vond Ech Nie.

“Zeker te weten”, zei ik. “Op een gegeven moment waren de bewoners dan ook zo boos dat ze het eten bij hem kwamen opeisen. Hij vertelde ze dat ze voor deze ene keer mochten pakken wat ze dragen konden maar dat het daarna afgelopen moest zijn. Toen de bevolking echter de schuur inging werden de deuren achter hen gesloten en stak de schurk alles en iedereen in brand. Vele mensen kwamen om in de vlammen.”

Romantiek
Middeleeuwse straatjes en een burcht boven de stad, een klassiek beeld van Midden-Rijn

Gevoelig thema

“Een van je betere epistels Ech Wel”, luidde het cynische commentaar van Ech Nie, “echt heel romantisch allemaal.”

“Dat dacht ik ook al”, zei ik, “want duizenden muizen hadden de ramp overleefd en zij trokken uitgehongerd naar het kasteel om de schijnheiligman levend en al te verslinden.”

“Nou”, zei Ech Nie spottend, “daar wordt het inderdaad een stuk romantischer van”.

“Zo is het maar net”, bevestigde ik. “Want wat jou blijkbaar de hele tijd ontgaat, eigenwijze Ech Nie, is dat het sprookje barst van de gevoelige thema’s. Ik noem bijvoorbeeld de tegenstelling tussen goed en kwaad, hemel en aarde, arm en rijk maar ook op zichzelf staande onderwerpen als onvrede, gebrek, tragiek, dood. Echt hoor, het is allemaal hartstikke romantisch.”

“Dat is helemaal niet romantisch”, reageerde Ech Nie verbolgen. “Romantiek is liefde, passie, het gevoel hebben dat je samen de hele wereld aan kan. Wij tegen zij en altijd samen. Dat soort dingen. Echt je snapt er helemaal niks van.”

Romantiek
Het “Alte Haus” in Bacharach, een van de oudste vakwerkhuizen van Duitsland.

Bacharach

We reden een stukje stilzwijgend verder tot we bij het middeleeuwse Bacharach aankwamen. Hoog op de rots boven het stadje staat burcht Stahleck. Tegenwoordig een jeugdherberg maar vroeger bedoeld om tol te heffen op de druk bevaren Rijn. “Dat hadden ze goed gezien want in die tijd was Bacharach een belangrijk centrum voor de wijnhandel.”

“Wijn?”, vroeg Ech Nie plotseling een en al oor.

“Jazeker”, antwoordde ik, “eeuwenlang was de haven van Bacharach vol bedrijvigheid en was het leven er goed en de mensen tevree. Maar zoals zo vaak kwam ook hier aan al die voorspoed een voortijdig eind. De haven verzandde, Franse soldaten bliezen Stahleck op en het eens zo welvarende stadje raakte langzaam maar zeker in de vergetelheid. Heel tragisch allemaal en dus ook heel erg romantisch.”

“Maar gelukkig is de wijn niet verdwenen”, zei Ech Nie opgewekt. Ze had een Weinstube ontdekt en trok me mee naar het terras.

Romantiek
Wijze woorden op het huis: Der Wein, der Wein ist goldes wert, er lindert alle Schmerzen,  Er macht die Dummen oft gelehrt,  und bessert bose Herzen

Nationalistische Romantiek

Omdat ik nog steeds het idee had dat Ech Nie het niet helemaal begrepen had probeerde ik aan ons tafeltje andermaal uit te leggen hoe gevoelig alles 2 eeuwen eerder lag. “De Franse revolutie was net achter de rug en ideeën over vrijheid voor de gewone man en het volk aan de macht waren springlevend. Het individu werd belangrijk geacht maar het volk net zo goed. Men werd zich bewust van een gezamenlijke, Germaanse geschiedenis en het nationalisme kreeg voet aan de grond. Die typisch Duitse trekjes als verheerlijking van het eigen verleden, gevoelens van superioriteit en dromen over een groot en machtig rijk staken toen de kop al op.”

“Ik zei toch al dat die Duitsers niet romantisch waren”, gaf Ech Nie blijk van haar onwetendheid.

“Dat waren ze wel want de wens kwam voort uit een gevoel van onbehagen en gemis en dat is echt typisch Romantiek. Je moet het trouwens wel een beetje zien in de context van zijn tijd. De Fransen hadden onder aanvoering van Napoleon kort daarvoor heel wat burchten tot ruïnes omgebouwd en dat wilden de Duitsers niet nog een keer.”

Romantiek
Tolburcht Pfalzgrabenstein

Het klaaglied van Loreley

Na onze glazen geleegd te hebben besloten we onze weg te vervolgen richting de volgende tolburcht, de Pfalzgrafenstein. In het hele rivierlandschap is het een van de weinige burchten die nooit is verwoest. “Dat is ook niet erg romantisch”, merkte Ech Nie op. “Nou ja”, reageerde ik, “zijn tragische ligging in de rivier doet menig hart sneller kloppen, dat wel. Maar voor de echte Romantiek moeten we bij Loreley zijn.”

“Ich weiss nicht was es soll bedeuten, dass ich so traurig binn.” Zo begint het gedicht over de beroemde Loreley, de snikkende sirene die met haar gouden haren en wonderschone stem schippers zo van hun koers deed afwijken dat ze met hun bootje op de klippen sloegen. “Dat klinkt best romantisch”, vond Ech Nie, die inmiddels doorkreeg hoe het er in de Romantiek aan toeging. “Nou en of”, zei ik, “helemaal als je bedenkt dat ze daar zat uit protest tegen de vooruitgang. In vroeger tijden had ze hier namelijk samen met haar vriendinnen gewoond maar die nimfen waren allemaal vertrokken toen de scheepvaart steeds intensiever werd. Zij was alleen achter gebleven omdat ze zo verknocht was op  de Rijn dat ze het niet over haar hart verkreeg om de streek te verlaten. Uit wraak voor wat haar overkomen was besloot ze voortaan, op haar rots gezeten, die vermaledijde schippers in het verderf te zingen.”

Loreley beroerde met haar klaagzang niet alleen de scheepvaarders maar raakte ook een gevoelige snaar bij de romantici. Net als de nimf waren ook zij wars van de vooruitgang en idealiseerden zij het verleden. “Wederom een tragisch verhaal vol onvrede, verloren liefde, dood en een zielige dame met Weltschmerz.”

“Jeetje”, zei Ech Nie, “wordt het ook nog gezellig vandaag?”

Romantiek
Stadspoort Oberwesel

Gezellig in Oberwesel

“Gezellig maken doe je zelf schat, niemand verplicht ons mee te huilen met al die sentimentele jankerds van toen. Dat maken we zelf wel uit. Trouwens, verzet tegen de regels en een drang naar vrijheid was óók Romantiek. Hoogste tijd dus voor een borrel in Oberwesel, onze volgende halteplaats en volgens kenners het mooiste toevluchtsoord van de Romantiek.

“Dit is de stad van Werner, de jongen die volgens de Oberweselaars door joden ritueel zou zijn vermoord en daarom als martelaar van het christelijk geloof werd uitgeroepen”, vertelde ik Ech Nie vanachter een stevige pul bier. “Hij geldt als de beschermheilige van de plaatselijke wijnboeren en speciaal voor hem werd een bedevaartkapel opgericht waar hij kon worden vereerd.”

“Ja hoor”,  zei Ech Nie, “we zitten nog maar net of de eerste dode is alweer gevallen. Ik dacht we gezellig gingen doen?”

“Tragisch hè”, zei ik maar gaf haar verder gelijk. “Wat dacht je dan van een verhaal over de wijnheks die hier elk jaar het drinkseizoen komt openen? Of de mythe van het hoefijzer en het pact dat de wijnboeren vroeger sloten met de duivel?” Ech Nie keek een beetje geprikkeld.

“Niet?”

“Kunnen we niet gewoon eventjes stilletjes genieten?”

“Tuurlijk kunnen we dat. Wist je trouwens dat drank ook heel geschikt was in de Romantiek? Een beetje alcohol doet immers al gauw de meest harde werkelijkheid veranderen in een idyllische omgeving.”

Romantiek
In  Oberwesel staat drank op de eerste plaats

Romantiek langs de Rijn

Lichtjes beneveld liepen we enige tijd later langs de oever van de Rijn en putte ik nog maar eens uit de schier oneindige bron verhalen die hier de rondte gaan. “Er leefde hier eens een meisje Mathilde”, zo begon ik, “ze was van simpele komaf en dol op dansen.”

“En toen ging ze dood?”, vroeg Ech Nie, die zich ondertussen de Duitse Romantiek wel eigen had gemaakt. “Ja, soort van”, antwoordde ik glimlachend. “Ze was verliefd geworden op adellijke Albrecht maar kwam er achter dat hij haar bedroog met zijn verloofde Bathilde. Kapot van verdriet stortte ze zich in het zwaard van haar geliefde en….”

“Was ze hartstikke dood”, vulde Ech Nie aan, “hoe verrassend.”

“Ja, maar het verhaal is nog niet afgelopen. Na haar dood ontwaakte ze als een zogenaamde Wili, de geest van een bedrogen, ongetrouwde vrouw. Samen met een hele club andere Wili’s trokken ze er ’s nachts op uit om wraak te nemen op al die verraderlijke mannen die hun het leven hadden zuur gemaakt. Als Mathilde echter spijtoptant Albrecht tegen komt, hij was bloemen komen brengen op haar graf, ontdekt ze dat de liefde voor hem nog te sterk is. Ze redt hem uit de klauwen van de andere Wili’s en samen brengen ze al dansend de nacht door. Bij het ochtendkrieken moet Mathilde echter terug haar graf in en laat ze Albrecht vertwijfeld achter. Hij sterft aan een gebroken hart.”

Romantiek
Burcht Katz, burcht Maus staat een stukje verderop

Een tragisch einde

Ik keek opzij en zag dat Ech Nie bezig was zichzelf groot te houden. “Ech Wel?”, begon ze voorzichtig. “Ja schat?”

“Kan je nou eindelijk eens je kop houden met al die romantische kutverhaaltjes van je?”

“Eh, pardon?”

“Ja. Je snapt er nog steeds helemaal geen ene klote van! Wat denk je nou dat je moet doen als de zon langzaam in het water van de Rijn zakt en je daar samen met je geliefde langs loopt?”

“Eh, ik dacht dat…”

Ze hief haar handen ten hemel. “Laat maar Ech Wel, Romantiek is aan jou niet besteed! Ech Nie!”

Ik kon de snoeiharde seks wel vergeten.

Romantiek
Alle burchten van het Rijndal op een rijtje. bron

Drama in barok Drottningholm

Drottningholm

Drottningholm ligt net even buiten Stockholm op een eiland in het Mälarmeer. “Het is anders maar een klein uurtje varen hoor”, verkondig ik Ech Nie voorzichtig. Ze heeft het niet zo op boten en maakt er doorgaans nogal een drama van als we zelfs maar in de buurt komen van iets dat vaart. “Met de boot?” vraagt ze, scherp als altijd.

“Nee met de bus nou goed?”

“Maar ik word altijd kotsmisselijk als we de woeste baren bevaren”

“Niet van deze schuit schat. Hij gaat alleen maar over een riviertje en….”

“Jawel, ook van die. Jij hebt geen idee hoe erg het is als je zeeziek bent. Je sterft gewoon een duizend doden.”

“Welnee joh, zo’n vaart loopt het niet. Gewoon je ogen richten op al het natuurschoon om je heen en dan komt het vanzelf wel goed.”

“Luister eens”, zegt ze aangebrand, “omdat jij er geen last van hebt wil nog niet zeggen dat een ander zich aanstelt. Ik heb geen zin om een uur lang over de reling te hangen dus je verzint maar mooi wat anders.”

Het werd alsnog de bus.

Drottningholm
Drottningholm

Dramatische bedoening

“Dat overdreven gedoe van jou ook altijd”, mopper ik nog wat na, “het lijkt wel of de hele wereld vergaat zo gauw er bij jou een schip voorbij komt.” Ech Nie haalt haar schouders op. “Boten zijn stom”, doet ze het hele voorval af en daar kan ik het mee doen. “Nou dan zal je Drottningholm ook wel niets vinden”, zeg ik, “want dat wordt door kunstkenners omschreven als een behoorlijk dramatische bedoening.”

“Pardon?”

“Barok hè, schat, barok. Architectuur dat als belangrijkste kenmerk had dat het vooral heel erg buitensporig schitterend moest zijn. Drottningholm is gewoon een aanstellerig praalpaleis vol extravagante kitsch.”

“Waarom gaan we er dan heen als het allemaal zo’n drama is?”

“Omdat we bezig zijn met een queeste schat, hoe vaak moet ik dat nou nog uitleggen? Met zijn glimmende glamour was het voor de welgestelden een middel om zich te onderscheiden van het klootjesvolk. De gedachte erachter was dat door alle pracht en praal de gewone man weer ontzag zou krijgen voor zijn leider, oftewel voor zijn koning en kerk. Verder kon natuurlijk ook niemand zich die pronkzucht veroorloven.”

Drottningholm

Rondje barok

Aangekomen bij het paleis bellen we aan (Bling, Bling) voor een bezichtiging van dit volgens Unesco mooiste voorbeeld van een 18e-eeuwse, Noord-Europese koninklijke residentie. Gastvrij als de Zweden zijn mogen we op eigen gelegenheid door de rijk gedecoreerde kamers paraderen en omdat we de audioguide altijd afslaan leg ik Ech Nie uit wat ze nou eigenlijk allemaal ziet. “In de barok was alles vooral uitbundig. Zuilen kregen kronkels, lijnen werden dik aangezet, contrasten benadrukt en gevels gegolfd. Kleur was belangrijk, net als beweging. Alles was bedoeld om te imponeren en een bepaald gevoel op te roepen. Wandtapijten, beeldhouwwerk en schilderingen moesten daar nog eens extra aan bijdragen.”

Drottningholm
Slaapkamer van de koningin

Al wandelend door de slaapkamer van de koningin begon het Ech Nie te dagen hoe protserig het er in de barokperiode aan toe ging.

“Jeetje”, merkt ze op, “Wat was dat voor een drama-queen? Dat ze nog kon slapen tussen al dat oogverblindende klatergoud.”

“Tsja, de barok was nou eenmaal niet bedoeld voor de innerlijke rust. Barok was sensatie. Het streefde naar een gevoel van frivoliteit, feest en overdaad en daar moest het hele gebouw in mee. Feitelijk was het een vorm van zelfverheerlijking waar je nog in kon wonen ook.”

Drottningholm

De overtreffende trap

We lopen verder langs fonkelende kroonluchters en wandtapijten vol heldhaftigheid maar met name Ech Nie raakt hoe verder we komen hoe minder onder de indruk van alle poespas. De verzadiging slaat toe en ze wil naar buiten voor wat frisse lucht. Onderweg naar de uitgang weet het rood-wit marmeren trappenhuis met zijn negen vrouwenbeelden ons toch nog wat “Oooh’s en “Aaah’s te ontlokken. De dames stellen de negen muzen voor en waren in de mythologie een bron van inspiratie voor de goden. “Net als het trappenhuis een inspiratie was voor de bezoekers van de koning”, bejubel ik het meesterwerk. “Het beeldhouwwerk wordt hier gebruikt als metafoor en dat typeert precies de tijd waar het in gemaakt is. Oftewel, we staan hier letterlijk en figuurlijk op de overtreffende trap van de barok!”

Drottningholm
De overtreffende trap van barok

Barok in beeld

De beeldhouwkunst in de barok hield zich ongeveer aan dezelfde principes als de architectuur. Beweging, contrast en vooral gevoel waren belangrijk. Daarnaast zag men de beelden vooral als onderdeel van het gebouw en niet zozeer als een kunstwerk op zich. Ze hingen er voor de sier en voor het toevoegen van karakter. Verder was er ook hier een voorkeur voor mythologische figuren in de meest dramatische poses. Veel aandacht ging daarbij uit naar de expressie op gezichten, naar emotie en naar spannende, krachtige bewegingen. Dat gold voor het trappenhuis met zijn muzen maar eveneens voor de Franse tuin met zijn Herculesfontein. “Ook al zo’n toonbeeld van barok”, geef ik Ech Nie te kennen.

Drottningholm
rood-wit marmeren trappenhuis

Groene barok

Voor de architecten van de barok stond de tuin altijd in een bepaalde relatie tot het paleis. Huis en tuin moesten één geheel vormen, elkaar aanvullen. Het zicht vanuit het paleis moest groots en weids zijn en omgekeerd mocht het groen de blik op het koninklijk slot niet versperren. De grootte van de tuin was een verwijzing naar de grootsheid van zijn bewoner. Kenmerkend waren een hoofdas, strikte symmetrie, lage geometrische buxushagen en water met fonteinen.

Drottningholm
Drottningholm met Herculesfontein (zonder water)

Op de kruising van hoofd- en bijpassen pakte men meestal uit met een in het oog springende beeldengroep die nog eens hamerde op alle hofsplendeur. De juiste plek dus voor vriend Hercules en zijn zwaaiende knots. “Goed hè”, zeg ik tegen Ech Nie, “hoe de dramatiek van de Griekse held is uitgebeeld en in dit barokke theater tot zijn recht komt. Het is gemaakt door de Nederlandse Michelangelo, Adriaen de Vries, en staat hier nu ter meerdere eer en glorie van het machtige Zweedse koningshuis.”

“Nou inderdaad”, stemt Ech Nie in, “een mooi slot op een dramatische middag.”

“Ik weet niet precies hoe je dat bedoelt”, vraag ik achterdochtig, “maar het meest theatrale onderdeel van deze Unesco-site hebben we anders nog niet gehad. We moeten nog naar…”

“Ik bedoel dat ik er wel weer even genoeg van heb, al dat opgeblazen gedoe hier.”

Drottningholm

Toneelspel

“Ja maar schat”, zeg ik vol emotie, “weet wel dat we dan het belangrijkste van de hele site zullen missen. Dat zou toch ook dramatisch zijn? Omdat een barok paleis alleen niet voldoende is om op de lijst te komen heeft dit werelderfgoed zijn inschrijving vooral te danken aan het bijbehorende slottheater wat nog helemaal origineel is. Zelfs de 18e eeuwse toneeltechniek en alle decorstukken zijn bewaard gebleven. Dát, plus nog een of ander Chinees paviljoen, maakte het architectonisch ensemble op koninklijk domein Drottningholm pas echt uniek!”

“Nou”, zegt Ech Nie gevat, “je zou er bijna een b(a)rok van in je keel krijgen. Maar helaas, we kunnen nou eenmaal niet altijd alles zien, hoe hartverscheurend jij dat ook vindt.”

En dus zat ik even later, voor de tweede keer die dag, tegen me zin in de bus. Een dramatisch slot inderdaad. Ech Wel!

Een achtervolging bij de Pont du Gard

Pont du Gard

“Kijk”, zei ik tegen Ech Nie, “wij Nederlanders mogen dan misschien de naam hebben, we waren heus niet de enige die een beetje met water om konden gaan. Om in hun dagelijkse behoeften te kunnen voorzien bouwden de Romeinen bijvoorbeeld ook al een hele infrastructuur.” Ech Nie reageerde niet. Wars van Romeinen en hun behoeftes bleef ze lekker stug uit haar autoraampje naar buiten kijken en deed of ze me niet hoorde.

“Maar hoewel de Nederlanders meestal in een zeeslag verwikkeld raakten”, vervolgde ik onverstoorbaar mijn verhaal, “ging het er bij de Romeinen allemaal een stuk beschaafder aan toe. Zij vochten niet tegen het water maar gebruikten het om de fonteinen in hun steden mee te vullen, om hun land mee te bevloeien en natuurlijk ook om van te drinken.” Opnieuw geen reactie. “Die Romeinen waren zelfs al zover dat ze over een werkende riolering beschikten en, en dat zal je vast aanspreken Ech Nie, ze hingen graag hele dagen rond in luxe wellnesscentra.” Geërgerd wendde vrouwlief haar hoofd en verzuchtte; “Laat me raden, die Romeinen waren zo bijdehand met hun water dat het een werelderfgoed opleverde waar we nu stomtoevallig bij in de buurt zijn?” Ech Nie is eigenlijk best een slim meisje, dacht ik, en gaf haar tevreden een schouderklopje. “Precies, complimenteerde ik haar, tegenwoordig noemen de Fransen het trouwens de Pont du Gard.”

Pont du Gard
Een “oneffenheid” in het landschap en naamgever van het werelderfgoed, de Gardon rivier

Pont du Gard

“Pont du Gard?”, vroeg ze. “Ja”, zei ik, “omdat die Romeinen zo graag met z’n allen in bad lagen hadden ze ook veel water nodig. Daarom bouwden ze waterleidingen van soms wel tientallen kilometers lang.”

“De Pont du Gard is een waterleiding?”

“Zo zou je het kunnen zeggen ja”, bevestigde ik. “Maar niet zomaar eentje; het is de mooiste en grootste van allemaal.”

“Goh, dat heb ik nou altijd al eens willen zien zeg, een Romeinse waterleiding…”

“Jaja, ik weet het. Voor jou stelt het allemaal niet veel voor. Maar schat, je moet je ook bedenken dat we nou eenmaal niet elke dag naar Unesco-iconen als de Beemster of Schokland kunnen kijken. Dus zet je Hollandse trots even opzij en accepteer dat niet iedereen zo goed was als onze Nederlandse watermeesters.”

Pont du Gard
Onderweg naar de Romeinen kwamen we nog een 800 jaar oud boompje tegen.

Puik loodgieterswerk

Na onze auto geparkeerd te hebben liepen we over het voetpad richting de Pont du Gard en vertelde ik Ech Nie dat er toch ech wel wat vernuft zat in dat hele waterwerk. “Niet in de laatste plaats omdat stromend water natuurlijk een ongelooflijke weelde was in die tijd. (Onze watermanagers waren pas in de 19e eeuw zo ver.) Toch was het allemaal niet zo heel ingewikkeld als je misschien zou denken. Bij gebrek aan pompen hadden de Romeinen namelijk verzonnen om gewoon de zwaartekracht het werk te laten doen. Eigenlijk was het niet meer dan een hooggelegen bron verbinden met een lager gelegen stad. Moeilijker was het niet. Nou ja, ze moesten af en toe wel wat oneffenheden in het landschap zien te overwinnen natuurlijk.”

“Oneffenheden?”, vroeg Ech Nie.

“Ja, zoals een in de weg staande berg of een diep verzonken dal. Je zal het zo wel zien.” We liepen verder en na een bocht in de weg zagen we inderdaad al gauw hoe vindingrijk de Romeinen destijds waren. Om hun badwater ongestoord richting thermen te laten stromen hadden ze een enorm aquaduct over de Gardon-vallei gebouwd. “Aha”, zei Ech Nie, ten teken dat ze het had begrepen. “Dat is nog eens een waterleiding.”

“Ech wel”, bevestigde ik, zeker als je bedenkt dat dit stukje maar 275 meter lang is. De hele leiding loopt tot aan Nimes en meet in totaal bijna 50 kilometer. Behalve de Pont du Gard bestond die verder nog uit een stuk of 20 andere bruggen, honderden meters tunnel en enkele vergaar-en bezinkbakken. Al met al een puik stukje loodgieterswerk werk dus.”

Pont du Gard
Pont du Gard; een puik stukje Romeins loodgieterswerk

Restauratie

“Zeker puik”, zei Ech Nie, “wel verfrissend ook dat we eindelijk eens iets Romeins zien wat nog bijna helemaal intact is. Normaal zien we alleen maar ruïnes op onze queeste.”

“Tsja, dat is na 2000 jaar natuurlijk ook niet zo gek. Maar zijn goede uiterlijk komt vooral door een facelift van een paar eeuwen geleden. Na de val van het Romeinse Rijk raakte het artistiek en technische meesterwerk in verval en werd die eigenlijk alleen nog maar als handige steengroeve gebruikt voor nieuw te bouwen huizen. Gelukkig zag Napoleon III het historisch belang van het bouwwerk in en gaf hij opdracht voor een restauratie. Daarom staat-ie er nou nog steeds zo mooi bij.”

“Oh ja joh?”

“Ja, en het leuke van het verhaal is dat ze toen gelijk een brug aan de onderste boog van het aquaduct bouwden.” Ech Nie wist hoe laat het was. “En daar moeten wij nu zeker overheen?”

“Inderdaad. Had ik trouwens al gezegd dat je best een slim meisje was?”

Pont du Gard
Daar aan de waterkant…

Naar boven

Al lopend over de brug zagen we dat de oevers van het riviertje nog vol dagjesmensen lagen. Het liep al tegen het einde van de dag maar overal signaleerden we op kleedjes zittende Fransen met picknickmandjes, verliefde stelletjes en rond het water spelende kinderen. Eenmaal aan de andere kant liepen ook wij even naar de waterkant zodat we konden delen in de feestvreugde en gelijk een plaatje konden schieten voor ons fotoalbum. Ech Nie dacht meteen van de gelegenheid misbruik te kunnen maken door wat te gaan zitten relaxen maar dat wist ik gelukkig nog net te voorkomen. “Ik weet niet waar jij allemaal mee bezig bent maar we zijn hier nog lang niet klaar hoor!”

“Hoe bedoel je?”, vroeg Ech Nie korzelig. “Ik bedoel dat we nog naar boven moeten. We hebben dan nu wel het bouwwerk gezien waar de leiding op ligt maar wat we natuurlijk ook nog willen zien is de bak waar het water daadwerkelijk doorheen stroomde.”

Ech Nie rolde met haar ogen. “Oh ja, natúúrlijk”

Geen Latijn

Mopperend stond ze op. “Kunnen we niet gewoon een keertje rustig gaan zitten? Mijn arme voetjes kunnen niet meer.” Ach jee, dacht ik, daar komt de motivatie-queestie weer om de hoek kijken. Nou hadden we inderdaad die dag al best wat gelopen (Na de stad Avignon was het ons 2e werelderfgoed van de dag) maar uiteindelijk kon ik het op de terugweg niet over m’n hart verkrijgen om de Pont du Gard zomaar voorbij te rijden. Zo vaak reden we hier nou ook weer niet. “Die voetjes van jou moeten es niet zoveel ouwehoeren” , antwoordde ik onverbiddelijk. “We knallen zo die heuvel op en dan moet jij eens kijken hoe blij je bent, moeie voeten of niet.” Ik kreeg geen gelijk.

Op de weg omhoog had Ech Nie na een paar meter al besloten dat het niet meer ging. “Ik kan ech nie meer Ech Wel. Alsof ik tegen een muur oploop, zo steil. Ik zak bijna door m’n hoeven.” Gewoon doorlopen, dacht ik, dan houdt het geklaag vanzelf op. Helaas werkte die tactiek slechts averechts en zwol het gejammer juist steeds verder aan. “Waarom doe ik dit eigenlijk? Wat kan mij die waterbak nou schelen? Zucht, steun, kreun.” Het was om gek van te worden. Gelukkig gooide Ech Nie halverwege de heuvel het bijltje er definitief bij neer. Ze was d’r klaar mee en weigerde nog een stap te zetten. “Je bekijkt het maar. Als jij zo nodig verder wil dan ga je maar alleen. Mijn Latijn is op.” Prima, dacht ik en wenste haar vast een goede afdaling.

Pont du Gard
Ech Nie houdt het voor gezien.

Bijzaak

Na nog een stukje hoger geklommen te zijn kwam ik bij een uitkijkpunt net iets onder de top. Ik had mijn doel nog niet helemaal bereikt maar het uitzicht was alvast mooi genoeg voor een eerste foto. Ik schoof wat in de weg hangende boomtakken uit het beeld en stelde scherp op mijn nieuwste werelderfgoed, de Pont du Gard. Net op het moment dat ik wilde afdrukken voelde ik wat over mijn been heen lopen. Klotebeest, dacht ik geprikkeld, en sloeg het achteloos van me af. Ik legde nog eens aan maar kreeg onmiddellijk bezoek van een nieuw kriebelend beestje, dit keer op m’n arm. Wat de… ! En gelijk daarop een op m’n andere arm. En eentje rond m’n hoofd….Wat krijgen we GVD nou..??!!

Helemaal gefocust op het Romeinse waterwonder had ik blijkbaar nogal wat onrust veroorzaakt in een ongezien bijennest. Een vervelende zaak want ik ben nogal allergisch voor hun steken en die pestbeesten zijn niet erg verdraagzaam met notoire ordeverstoorders. Nog minder aangenaam was de wetenschap dat ik het verplichte antigif, wat ik officieel altijd bij me moet dragen, niet op zak had. (Dat is trouwens altijd want optimistisch als ik ben verwacht ik nooit vervelende queesties onderweg…) Er zat nog maar een ding op. Vluchten.

Pont du Gard
Bij de Pont du Gard

Achtervolging

In blinde paniek stoof ik de berg af. “Ren voor je leven”, riep ik tegen Ech Nie die ik al snel inhaalde en gelijk voorbij ging. Ik was in doodsangst en had geen tijd om uit te leggen dat ik werd achtervolgd door een horde bloeddorstige bijen. Bang voor Maya en haar vriendjes spurtte ik verder tot ik compleet buiten adem weer aan de voet van de heuvel stond. Daar kwam Ech Nie even later ook aankakken. “Sorry schat”, begon ik meteen schuldbewust met mijn excuses, “vooral dat ik je zo alleen liet met al die ellendelingen… Maar ja, je weet wat er kan gebeuren als een van die krengen me te pakken krijgt… Met zo’n zwerm bijen is het een queestie van overleven, dat snap je toch wel?”

“Een hele zwerm”, herhaalde ze minachtend, “laat me niet lachen. Als ik er 2 heb gezien dan was het veel.” Hmmm, dacht ik, ze is niet alleen selectief doof maar ook nog stekeblind. “Luister eens, meneer de watermeester, als je nou gewoon naar me had geluisterd had je jezelf ook niet zo in de nesten hoeven werken. Het is met jou altijd wat. Zo gauw je een Unesco-monument ziet staan verlies je alle realiteit uit het oog.”

Gestoken

Fijn is dat, dacht ik, ben ik ternauwernood aan de dood ontsnapt krijg ik nog een paar steken onder water als toetje. “Maar ik wilde je gewoon wat bijbrengen over het Romeinse watermanagement”, probeerde ik Ech Nie te overtuigen. “Dat wij Nederlanders de naam hebben wil nog niet zeggen dat andere er niks van konden. Nu weet je dat de wondere wereld van de waterhuishouding niet begon bij de Beemster en Schokland maar dat zij het resultaat waren van eeuwenlange kennis die we hebben geërfd van nog veel oudere beschavingen.”

“En waarom was dat ook alweer interessant?”

“Omdat je zo kan zien dat al dat werelderfgoed in verband staat met elkaar, dat de ontwikkeling van de mens een doorlopend proces is en dat al die architectonische meesterwerken daar het bewijs van zijn. Door die te bezoeken word je alleen maar een nóg slimmer meisje dan je al bent. Dat is toch fantastisch?” Ech Nie keek me meewarig aan. “Ik weet niet waar die bijen je allemaal gestoken hebben maar volgens mij moeten we even langs het ziekenhuis. Je bent er nog erger aan toe dan ik altijd al dacht. Ech Wel!”