Haar kerstmarkt en mijn queeste in Goslar

Goslar

De dag na onze dodemansrit was Ech Nie nog niet helemaal de oude. Hoe ik haar ook probeerde te overtuigen, in de auto was ze niet meer te krijgen. “Ja maar schat, het dooit inmiddels en waarschijnlijk hebben ze ook al wel gestrooid. Heus, we kunnen de weg weer op.” Ze was niet te vermurwen “En denk ook eens aan onze Unesco-queeste, die kunnen we toch ook niet zomaar negeren?”, deed ik er nog een schepje bovenop. “Het is jouw queeste niet de mijne, bitste ze. Ik doe het gewoon niet. Ik. Ga. Niet. In. De. Auto. Ech nie!” Het was duidelijk. Nee was dit keer ook echt nee. “Nou dan moeten we maar met het openbaar vervoer naar Goslar”, zei ik, “want bussen glijden nooit van de weg af.”

Goslar
Op het bospad

Met de bus naar Goslar

De bushalte lag aan het einde van het bospad had de hotelmedewerkster ons gezegd. Normaal gesproken een twintig minuten lopen zo schatte zij in maar met het dikke pak sneeuw was het misschien handiger om daar nog wat tijd bij op te tellen. Ik keek Ech Nie verwijtend aan maar die negeerde me. “Laten we maar gelijk gaan”, zei ze, “anders missen we hem nog.” Drie kwartier dachten we er over te doen maar na slechts een paar stappen lopen kregen we al een lift. “Wat een vriendelijke mensen hier”, zei Ech Nie. “Nou inderdaad”, gromde ik, “die lul zet ons hier alleen maar bij de halte af omdat die weet dat we dan een half uur moeten blauwbekken in de kou. Als die ons gewoon had laten lopen waren we tenminste warm gebleven.” De kerstgedachte had me nog niet helemaal in zijn greep.

Goslar
De besneeuwde daken van Goslar

In de bus richting stad vertel ik Ech Nie over de geschiedenis van Goslar. “Het is het jaar 911. Krap honderd jaar na de dood van Karel de Grote is de heerschappij van het geslacht der Karolingen tot een eind gekomen. Het Rijk is in drieën opgesplitst en in het oostelijke deel neemt Koenraad, een belangrijke adviseur van de laatste Karolingische koning, de macht over. Hij is weinig succesvol maar wijst in 919 Hendrik de Vogelaar aan als zijn opvolger. Het is deze vogelaar die het Oost-Frankische Rijk omvormt tot het Koninkrijk der Duitsers. Als eerste Duitse koning stichtte hij in 922 tevens de stad Goslar.” Ech Nie luistert niet. Bang als ze is voor een nieuwe zeperd let ze meer op de weg dan op verhalen over oude vogelaars. De horror van de dag ervoor zit duidelijk nog in haar gestel.

Goslar

Sfeer proeven

Uiteraard haalt de bus zonder problemen Goslars busstation. We stappen uit en lopen direct zum Marktplatz. Het staat er vol met kerstkraampjes die samen met de vakwerkhuizen van de stad een wunderbar winterdecor vormen. Als een van de weinige Duitse steden is de Altstadt van Goslar nog helemaal origineel. Ech Nie klapt stilletjes in d’r handen van opwinding. Dit is waar ze voor gekomen is. “Oh wat heerlijk”, zegt ze, “en de sneeuw maakt het plaatje helemaal compleet. Wat romantisch allemaal!” “En koud”, brom ik, “m’n tenen zijn nou al compleet bevroren.” “Daar weet ik wel wat op”, zegt Ech Nie en de eerste braadworst met hete Glühwein is al snel een feit. Sfeer proeven noemen we dat.

Goslar
“Een grappig vogeltje”, die keizerlijke adelaar

De keizerpalts

“Kijk nou wat een grappig vogeltje”, zegt Ech Nie met een volle mond. Ze wijst naar een fontein in het midden van de markt. “Dat is de Duitse keizersadelaar”, leg ik uit. “Goslar was vroeger namelijk nogal gewild bij der Kaiser.” “Hé”, zegt Ech Nie, “staat hier dan ook zo’n palts als in Aken?” “Heel goed schat”, complimenteer ik haar, “eindelijk begint mijn onderwijs dan toch zijn vruchten af te werpen.” Om haar helemaal gelukkig te maken deel ik haar mede dat het paleis in Goslar nog steeds te bewonderen valt. “Misschien moeten we er dan maar eens een kijkje nemen”, stelt ze voor, “dan kunnen onze arme voetjes weer wat warmer worden.” Ik vind het een goed idee en hand in hand gaan we op zoek naar het paleis.

Goslar
De keizerpalts

Onderweg naar de palts ga ik verder met dat wat ik in de bus begonnen was. “De zoon van de vogelaar, Otto, spiegelde zich graag aan zijn legendarische voorganger Karel de Grote. Hij liet zich als eerste in Karels paltskerk tot koning kronen en werd later eveneens keizer van een Rijk dat die zag was als opvolger van het Romeinse imperium. Het Heilige Roomse Rijk, zoals zijn gebied de geschiedenis in is gegaan, was een groot gebied waarin allerlei vorstendommen samen gevoegd waren. Om de boel een beetje bij elkaar te houden mochten alle belangrijke mannen binnen het Rijk om de zoveel tijd hun zegje komen doen. De keizer organiseerde daarvoor dan een Rijksdag en ontving de heren op een palts naar zijn keuze. Van de 10e tot de 12e eeuw was die van Goslar favoriet. Een van de keizers was zelfs zo verknocht aan de stad dat hij er zijn hart aan verloor. Letterlijk want, naar een idee van Karel de Grote, liet hij het na zijn dood begraven in de achthoekige hofkapel van de palts.

Goslar
Ridder Ramm

Ridder Ramm

Na een rondje door het paleis te hebben gelopen zijn onze voeten weer op temperatuur. Buiten gekomen wil Ech Nie weer terug naar de kerstmarkt. “Hohoho”, zeg ik, “niet zo snel, het verhaal is nog niet af. Op een dag had keizer Otto zin in een stukje wild en zond daarom zijn beste ridder heen om voor hem een heerlijk hertenboutje te verschalken. Ridder Ramm pakte daarop zijn paard en ging op pad. Net als nu had het gesneeuwd en zodoende kon trouwe Ramm makkelijk het spoor van Bambi volgen. Het leidde hem zover de heuvels in dat zijn paard op een gegeven moment niet verder kon. Ramm gaf echter niet op, vervolgde zijn weg te voet en wist het beestje uiteindelijk nog te schieten ook. Tevreden keerde hij terug naar zijn ros. Daar zou Otto blij mee zij dacht hij, en toen bleek dat zijn paard ondertussen nog iets veel waardevollers had gevonden zat die helemaal geramd. Schrapend met zijn hoef over de grond had het dier namelijk de grootste zilverader ooit ontdekt. Als dank voor zijn goede werk werd de berg zilver door de Kaiser naar hem vernoemd, voortaan zou hij de Rammelsberg heten”

Goslar
De Rammelsberg

Mijn queeste

“Zo, dat was nog eens een handig paard”, zei Ech Nie. “Zeker” antwoordde ik, “maar Unesco heeft niet het paard tot werelderfgoed verklaard maar de berg. Of beter gezegd; de mijn in de berg. En aangezien we hier voor mijn queeste zijn zit er niks anders op dan ook die te bezoeken.” Ech Nie vond het maar een flauw woordgrapje. “We zijn hier toch ook voor mijn kerstmarkt”, zei ze verontwaardigd. “Dat ook”, gaf ik toe, “maar die is toch pas op zijn mooist als het donker is. Laten we er maar onze queestemarkt van maken. Eerst de mijn dan de markt.” Met tegenzin ging ze akkoord. “Beter dat je nou niet chagrijnig gaat lopen doen”, adviseerde ik haar, “want anders gaan we ook nog naar het watermanagementsysteem kijken. Rond de stad liggen namelijk tientallen meren, sloten en kanalen die er vroeger voor moesten zorgen dat de raderen in de mijn konden blijven draaien. En aangezien dat ook onderdeel is van het werelderfgoed zou ik maar oppassen.” Ech Nie, beducht voor nog meer erfgoedellende, deed spontaan of ze het leuk vond.

Goslar
Mijn queeste

Behalve zilver bleek er nog veel meer in de berg te zitten. Even rammelen en de ertsen lagen bij wijze van spreken voor het oprapen. Koper, lood, zink, tin, ijzer, het zat er allemaal in. Uiteindelijk deden de Duitsers er ruim 1000 jaar over voordat ze alles er hadden uitgehaald. Ten tijde van de tweede wereldoorlog kwam de rijkdom van de berg ook de mannen van het Derde Rijk goed van pas. Zij wisten wel raad met de door dwangarbeiders gedolven ijzererts en goten het in allerlei mooie vormen ten behoeve van hun oorlogsindustrie. Wat dat betreft verbaasde me het dat de mijn door de geallieerden nooit was gebombardeerd. Ik dacht altijd dat ze met het platgooien van Duitse steden waren begonnen omdat er nergens nog een militair doel te vinden was. Toch niet goed genoeg gezocht dan, constateerde ik.

Goslar
Kleedruimte voor de mijnbouwers

Krijg de rambam

Het is december 2013 en Hitler is net een maand geleden zijn ereburgerschap van de stad Goslar ontnomen. De inwoners van de stad konden blijkbaar maar moeilijk afstand nemen van hun Führer. Toch blijkt, aangekomen bij de Rammelsberg, dat de mijn alleen maar te bezichtigen is onder leiding van een “Führung”. We kijken elkaar aan en besluiten dat we daar geen zin in hebben. Anders dan onze Oosterburen voelen we er niks voor om groepsgewijs achter een leider aan te lopen en te luisteren naar hun hobby “kuilen graven”. Laat ze de rambam krijgen.

Tot grote opluchting van Ech Nie laten we de onderaardse gangen dus maar voor wat ze zijn en kopen slechts een kaartje voor het museum. Een uur lang lopen we langs vitrines vol bodemvondsten en mijnbouwattributen totdat ons buikje weer begint te rammelen van de honger. We vatten het op als een teken en spoeden ons direct terug naar de braadworsten en Glühwein op de markt.

Goslar
Glühwein

Haar kerstmarkt

De avond valt en op de Marktplatz zet men een oud mijnwerkerslied in. Ik wijs Ech Nie op één van de huizen waaruit mijnwerkersfiguren een rondje draaien. Ze begrijpt inmiddels dat de oude keizerstad trots is op zijn Rammelsberg maar heeft  op dit tijdstip meer oog voor alle lekkernijen die de Weihnachtsmarkt te bieden heeft dan voor stomme poppetjes uit een poppenhuis. Ik laat het er maar bij zitten en besluit me vol overgave in het feestgedruis te storten. Uren lang bestrijden we de kou met de ene na de andere Glühwein maar op een gegeven moment krijgen we het toch wat fris. We brengen nog een laatste toost uit op der Kaiser en zijn stad, wensen iedereen fijne dagen en pakken dan de taxi naar ons hotel in het Harzgebergte.

Goslar
Weihnachtsmarkt

Der Schweinhund

Onderweg raken we in gesprek met de chauffeur. We vertellen over onze bloedstollende rit de dag ervoor, over de sneeuw en de slippartijen. Hoe we niet verder kwamen en dat we uiteindelijk van een gewisse dood werden gered door een heel bijzonder man. De taximan kijkt ons ongelovig aan en begint dan onbedaarlijk te lachen. Hij vindt ons maar een stelletje domme kaaskoppen. “Wie gaat er nou met een paar zomerbanden de bergen in?” buldert die. “Eh ja dat waren wij dus”, zeggen we beschaamd. “Verrückte Holländer, gaat die verder, “of we wel weten hoe gevaarlijk dat is? “Ja dat weten we inmiddels ook ja”, antwoorden we. Vervolgens gaat die echt los en verhaalt over het glorierijke Duitsland wat zo te lijden heeft van al die buitenlanders en hun gedrag op de weg. Hmmm, denken we nou moet die Schweinhund natuurlijk niet bijdehand gaan lopen doen. Maar onze edelgermaan gaat gewoon door met zijn donderpreek. Dat we wel heel veel geluk hadden met die barmhartige Samaritaan, dat hij het niet kan geloven dat die ons hielp en dat hij ons gewoon zou hebben laten staan. Aan het eind van de rit zijn we helemaal klaar met hem en zijn superieure winterbanden. Wat denkt die fascist wel niet? We rammen ‘m in elkaar!

GoslarZwaar geïrriteerd arriveren we op onze kamer maar daar wacht ons een aangename verrassing. Hoewel er op de wegen uitgebreid gestrooid was gold dat niet voor het bospad waar het hotel aan lag, dat lag nog steeds vol met sneeuw. En toen bleek onze autobahnführer toch niet zo’n heel geweldige chauffeur. Net voor de heuvel bevond zich een klein kuiltje in de weg en in combinatie met het hellingspercentage was dat toch iets teveel van zijn rijvaardigheid gevraagd. Terwijl wij geamuseerd uit het raam keken kostte het hem zeker een kwartier ploeteren om weer weg te komen. Mét winterbanden. Waarschijnlijk hadden we hem met een klein zetje wel uit zijn ongeluk kunnen helpen maar daar voelden we allebei maar weinig voor. “Voor mensen die niet geloven zal er ook geen verlossing zijn”, zei ik plechtig. “En uw wil geschiedde”, vulde Ech Nie aan. “Ech Wel!”

Geef een reactie

%d bloggers liken dit: